Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-14
ECLI:NL:RBDHA:2025:15464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
796 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6750
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat België ervoor verantwoordelijk is.
Beoordeling
Geen zitting
2. De rechtbank heeft partijen verzocht om aan te geven of zij er mee instemmen dat zonder zitting op het beroep wordt beslist. Omdat beide partijen hebben aangegeven dat de zaak zonder zitting kan worden afgedaan, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
3. De rechtbank beoordeelt of het beroep ontvankelijk is.
Heeft eiser nog procesbelang?
4. Verweerder heeft in het bericht van 14 maart 2025 aan de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 31 juli 2025 aan de rechtbank laten weten al enige tijd geen contact te hebben gehad met eiser en nu geen contact met hem te kunnen krijgen.
4.1
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, er in beginsel van uit mag worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De vreemdeling heeft in dat geval geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij nog contact met zijn gemachtigde heeft en dus nog steeds prijs stelt op de door hem verzochte bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat de gemachtigde nog contact heeft met de vreemdeling over de voortgang van de procedure en de keuzes die daarin moeten worden gemaakt.
4.2
Gelet op deze rechtspraak heeft eiser geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662, onder 2.7.