Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:15354
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,670 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12023
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
en
de Minister van Asiel en Migratie1, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag op grond van artikel 64, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) om uitstel van vertrek uit Nederland vanwege haar medische situatie.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 december 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, E.M.A. Ab-el Latif als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag om aan eiseres uitstel van vertrek te verlenen heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Inleiding
5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1958 en heeft zowel de Syrische als de Libanese nationaliteit. Zij is bekend met onder meer kortademigheid als gevolg van een mengbeeld van astma en COPD. Zij is daarvoor in 2022 kort opgenomen geweest. Ook heeft zij eczeem en jeukende bultjes. Voor een te traag werkende schildklier is sinds 2020 geen medicatie meer voorgeschreven. Bij uitblijven van behandeling van het mengbeeld astma/COPD, van de eczeem en de bultjes en van beeldvormend onderzoek van de schildklier verwacht het BMA geen medische noodtoestand binnen een indicatieve termijn van zes maanden. Eiseres staat onder medische behandeling van een huisarts.
Ex-tunc toetsing
6. De rechtbank toetst het bestreden besluit ex-tunc.2 De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit. Gezien deze ex-tunc toets kan aanvullende informatie van na de datum van het bestreden besluit van 18 maart 2024, niet in deze procedure worden betrokken. Zoals de minister ter zitting heeft medegedeeld staat het eiseres vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen.
De indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden
7. Uit het advies van Bureau Medische Advisering (BMA) van 10 augustus 2023 blijkt dat eiseres last heeft van kortademigheid als gevolg van een mengbeeld van astma en COPD, eczeem heeft en jeukende bultjes. Daarnaast is er in het verleden een diagnose gesteld van een te traag werkende schildklier, waarvoor de medicatie in 2020 is gestopt. Er is geadviseerd om een beeldvormende diagnostiek te verrichten van de schildklier. Het BMA concludeert dat bij het uitblijven van de medische behandeling van de hierboven genoemde klachten, geen medische noodsituatie verwacht wordt binnen een indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden.
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de richtlijn die het BMA hanteert voor het ontstaan van een medische noodsituatie, een indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden, betekent dat een medische noodsituatie ook nog na meer dan 6 maanden kan ontstaan. Eiseres verwijst daarbij naar een arrest van het Hof van Justitie van de EU van 22 november 2022.3 Uit die uitspraak volgt dat de termijn louter indicatief is, en dat de toename van pijn, als gevolg van terugkeer naar een land waar geen behandeling beschikbaar is, geleidelijk kan zijn. Mogelijk kan die toename van pijn pas na een bepaalde tijd aanzienlijk en onherstelbaar worden.4 Eiseres voert aan dat het BMA een onjuist criterium hanteert in het licht van het arrest van het Hof van Justitie.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister, dan wel het BMA, niet een onjuiste termijn heeft gehanteerd. De wijze waarop de minister het uitvoeringsbeleid op basis van de uitspraak van het Hof heeft uitgewerkt5 en dat er uit bestaat dat geen strikte termijn maar een indicatieve termijn met een marge van een aantal maanden wordt gehanteerd, acht de rechtbank in overeenstemming met het genoemde arrest. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in de situatie van eiseres anders over te oordelen. Eiseres heeft immers niet met medische stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde termijn te strikt is of dat de minister niet of onvoldoende rekening gehouden heeft met de concrete aandoeningen waaraan zij lijdt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
2 Zie onder andere de uitspraak van de ABRvS van 28 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1442, rechtsoverweging 4.1.
3 Zaak C-69/21 van het Hof van Justitie van de EU, 22 november 2022, rechtsoverweging 76.
4 Zaak C-69/21 van het Hof van Justitie van de EU, 22 november 2022, rechtsoverweging 72.
5 Zie WBV 2023/16, Werkinstructie 2024/2 en Kamerbrief van 26 juni 2023 over de ‘Beleidswijziging definitie medische noodsituatie naar aanleiding van arrest HvJEU’.
Nieuw BMA-advies bij gewijzigde medische situatie
10. Eiseres voert aan dat nadat het BMA op 10 augustus 2023 het medisch advies had uitgebracht, er op 25 augustus 2023 op het medisch advies is gereageerd. Vervolgens heeft op 25 september 2023 een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden en is pas op 18 maart 2024 het bestreden besluit genomen. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er op het moment dat het bestreden besluit werd genomen al meer dan 7 maanden verstreken waren na het uitbrengen van het medisch advies door het BMA. Eiseres beroept zich op het Protocol BMA, waarin staat dat het BMA in het algemeen adviseert geen beslissingen te nemen op een medisch advies ouder dan 6 maanden, omdat de medische situatie van de vreemdeling gewijzigd zou kunnen zijn. In dat geval adviseert het BMA een nieuw adviesverzoek.6 Subsidiair voert eiseres ook aan dat haar medische situatie gewijzigd is sinds het BMA- advies. Ter onderbouwing heeft eiseres haar patiëntdossier van 13 januari 2025 overgelegd, waaruit volgt dat eiseres op 27 november 2024 een milde exacerbatie COPD had. Daarnaast is er een Prednison kuur opgestart en wordt aan haar Spiriva respimat en Tiotropium als medicatie voorgeschreven.
11. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er meer dan 7 maanden zijn verstreken tussen het moment waarop de beschikking is genomen en het uitbrengen van het BMA-advies. Gelet op het hiervoor genoemde BMA-protocol is het de vraag of is aangetoond dat de medische situatie of medische behandeling van eiseres is veranderd sinds het uitbrengen van het BMA-advies, zodat niet langer kan worden uitgegaan van het BMA- advies in geding. De rechtbank oordeelt dat ten tijde van het bestreden besluit, niet is gebleken dat de medische situatie van eiseres gewijzigd was. De gewijzigde omstandigheden waar eiseres in de gronden van beroep op wijst, zien op de periode rond november 2024. De rechtbank overweegt, gelet op hetgeen eerder is overwogen ten aanzien van de ex-tunc toets, dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de medische informatie waarop het bestreden besluit gebaseerd is, achterhaald of onjuist is. Eiseres heeft geen contra-expertise laten verrichten en geen concreet aanknopingspunt aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van het BMA-advies. De minister heeft daarom, ondanks het tijdsverloop van 7 maanden, uit mogen gaan van het BMA-advies van 10 augustus 2023. De beroepsgrond slaagt niet.
Onderzoek naar de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst
12. Eiseres voert tot slot aan dat in het BMA-advies ten onrechte niet gekeken is of in het land waar zij naartoe zou moeten gaan een medische behandeling van haar klachten mogelijk is. De betrokken lidstaat dient zich er van te vergewissen dat eiseres, wanneer haar gezondheidstoestand dit vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt.7
13. De rechtbank oordeelt dat, aangezien uit het BMA-advies blijkt dat er bij het uitblijven van de behandeling, binnen een indicatieve termijn van 3 tot 6 maanden, geen medische noodsituatie zal ontstaan, niet hoeft te worden onderzocht of de behandeling aanwezig is en of eiseres hier toegang tot zou krijgen.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen uitstel van vertrek krijgt. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.M. van de Wijdeven, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 maart 2025
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.