Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:15155
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,858 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23722 (beroep) en NL.25.23723 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 12 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen mevrouw D.A. Ochieng.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Kameroense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1985. Eiser heeft verklaard dat hij op 23 oktober 2024 de boodschap kreeg om zich te melden bij de commandant van de [groepering] [plaats] . Nadat eiser zich had gemeld, kreeg hij de vraag om mee te vechten met de [groepering] . In eerste instantie weigerde eiser. Daarna werd hij voor de keuze gesteld om zich aan te sluiten of zeven miljoen franc te betalen. Nadat eiser de deadline van de betaling niet had gehaald, werd hij ontvoerd. Vervolgens kreeg hij nog een laatste kans om het geld bij elkaar te krijgen. De volgende ochtend zagen regeringssoldaten hem bij de [groepering] lopen. Er werd geschoten. Eiser zag kans om te vluchten en het land op legale wijze te verlaten.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (ook wel het eerste asielmotief);
eisers problemen met de [groepering] vanwege zijn gedwongen rekrutering (ook wel het tweede asielmotief); en
eisers problemen met het regeringsleger vanwege vermeende banden met de [groepering] (ook wel het derde asielmotief).
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet, nu zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt eisers derde asielmotief niet geloofwaardig, nu ook de verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij onvoldoende documenten heeft gegeven zonder goede verklaring. Verweerder vindt verder dat eiser bij terugkeer naar Kameroen geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser is afkomstig uit de provincie [provincie] in Kameroen. In deze provincie is sprake van een uitzonderlijke situatie. Volgens verweerder loopt eiser ondanks deze uitzonderlijke situatie geen reëel risico op ernstige schade, omdat er voor hem in Kameroen een vestigingsalternatief is. Verweerder heeft de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser voert allereerst aan dat verweerder in zijn beoordeling ten onrechte onderscheid maakt tussen objectieve documenten en niet-objectieve documenten en dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met wat hij heeft ingebracht. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog in de beroepsfase het gestelde originele arrestatiebevel overgelegd. Volgens eiser mocht verweerder het tweede en derde asielmotief niet ongeloofwaardig vinden. Tot slot stelt eiser dat aan hem geen terugkeerbesluit en inreisverbod mocht worden opgelegd en mocht verweerder volgens hem niet vinden dat hij geen reguliere verblijfsvergunning of uitstel van vertrek krijgt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De geloofwaardigheidsbeoordeling volgens Werkinstructie 2024/6
6. In de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling die staat beschreven in Werkinstructie 2024/6 wordt onderscheid gemaakt tussen twee stappen. In stap 1 zal de vreemdeling alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen en worden de asielmotieven vastgesteld. Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om het asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat verweerder over naar stap 2b. In die stap toetst verweerder aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. Voor zover eiser stelt dat hiermee sprake is van een hogere bewijsmaatstaf waarbij alleen aan die maatstaf wordt voldaan als er objectieve documenten zijn overgelegd die het asielmotief aannemelijk maken, volgt de rechtbank eiser niet. In stap 2a wordt gekeken of het asielmotief alleen al op basis van objectief bewijsmateriaal geloofwaardig is. Als dat niet het geval is, worden alle stukken betrokken bij stap 2b. Uit de motivering van het voornemen en bestreden besluit blijkt dat verweerder de overgelegde kopie van het arrestatiebevel inhoudelijk heeft beoordeeld onder stap 2b en niet buiten beschouwing heeft gelaten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden?
7. Verweerder mocht het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
7.1.
Zo heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over de hoogste leider van de [groepering] in zijn regio niet overeenkomen met informatie die over hem bekend is, zonder dat eiser daar een goede verklaring voor heeft kunnen geven. Van eiser mocht verweerder verwachten dat hij kan verklaren wie de hoogste leider van de [groepering] in zijn regio is, te meer nu eiser heeft verklaard dat hij hem al sinds zijn jeugd kent.
7.2.
Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij werd gerekruteerd door de [groepering] . Eiser voert aan dat hij denkt dat hij werd gerekruteerd omdat hij fysiek sterk is, maar dat hij niet kan speculeren over de werkelijke reden. De rechtbank kan eiser volgen in zijn betoog dat verweerder niet van hem mag verwachten dat hij het handelen van derden weet te verklaren. Dit neemt echter niet weg dat verweerder mocht betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft verklaard over de rekrutering op 23 oktober 2024, nu hij ook heeft verklaard dat niet elke sterke man in zijn regio gerekruteerd werd.
7.3.
Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de commandant hem juist op dat moment wilde rekruteren. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de commandant rekening hield met de situatie van de tante. Verweerder heeft ook mogen betrekken dat niet valt in te zien hoe de commandant na 10 jaar op de hoogte is geraakt van de situatie van eisers tante. De enkele niet onderbouwde stelling dat als de commandant het op je gemunt heeft, hij informatie over je zal vergaren, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat de tegenwerpingen van verweerder, dat eiser wisselend heeft verklaard over de gebeurtenis van 23 oktober 2024 en het niet aannemelijk is dat hij direct op de uitnodiging van de commandant in is gegaan, niet als redelijke tegenwerpingen kunnen worden aangemerkt. Nu de overige tegenwerpingen van verweerder overeind blijven, heeft verweerder dit asielmotief toch ongeloofwaardig mogen vinden.
Mocht verweerder het derde asielmotief ongeloofwaardig vinden?
8. De rechtbank oordeelt dat verweerder het derde asielmotief ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Eiser heeft geen verschoonbare verklaring voor het niet overleggen van het originele arrestatiebevel. Ook vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel.
8.1.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de volgorde van de gebeurtenissen op het moment dat hij door soldaten werd gezien met de [groepering] .
Conclusie
11. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiser terecht als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.
Artikel 30b, eerste lid, onder e, Vw.
Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, ov. 4.2-4.3.
Nader gehoor van 22 november 2024, p. 15.
Nader gehoor van 22 november 2024, p. 9.
Nader gehoor van 22 november 2024, p. 20.
Nader gehoor van 22 november 2024, p. 21.