Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:15073
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
891 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.25978 en NL25.25980
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer 1] , verzoeker
[verzoekster]
, V-nummer: [v-nummer 2] , verzoekster
tezamen: verzoekers
(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. Bij besluiten van 10 juni 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekers hebben op 11 juni 2025 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank binnen de uiterste overdrachtstermijn geen uitspraak kan doen op de beroepen. De beroepen zullen namelijk pas op 22 augustus 2025 op zitting worden behandeld, terwijl de uiterste overdrachtstermijn zoals neergelegd in de Dublinverordening voor verzoeker op 28 augustus 2025 en voor verzoekster op 3 september 2025 eindigt. De vereiste onverwijlde spoed is daarmee gegeven.
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de verzoeken om een voorlopige
voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoekers er belang bij hebben om niet te worden uitgezet voordat op hun beroepen is beslist. Zoals hiervoor is overwogen zullen de beroepen (met zaaknummers NL25.25977 en NL25.25979) op 22 augustus 2025 op zitting worden behandeld. Als geen voorlopige voorziening wordt getroffen zullen de uiterste overdrachtstermijnen waarschijnlijk verstrijken voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op de beroepen, terwijl verweerder er belang bij heeft verzoekers voor het verstrijken van deze termijnen aan Duitsland over te dragen.
5. De voorzieningenrechter wijst om de hiervoor weergegeven redenen de verzoeken om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Duitsland totdat op de beroepen tegen de bestreden besluiten is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gezien de samenhang vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoekers niet mogen worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op de beroepen met zaaknummers NL25.25977 en NL25.25979;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger rechtsmiddel open.