Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:15062
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11412
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat hij Slovenië verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Bij uitspraak van 24 november 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag gegrond verklaard.
1.3.
Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.4.
Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waarover gaat deze uitspraak?
2. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Eiser had een door Slovenië verstrekt (Schengen)visum toen hij op 2 november 2022 een asielaanvraag indiende in Nederland. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat hij Slovenië daarvoor verantwoordelijk acht.
2.1.
De rechtbank heeft eisers beroep in de uitspraak van 24 november 2023 gegrond verklaard, omdat verweerder niet kenbaar rekening heeft gehouden met de gevolgen van eisers medische situatie bij overdracht aan Slovenië. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 februari 2025 het hoger beroep van verweerder gegrond verklaard. Alle bijzondere medische omstandigheden zijn volgens de Afdeling kenbaar betrokken bij de besluitvorming en verweerder heeft zijn afweging voldoende inzichtelijk gemaakt.
2.2.
Omdat de zaak is teruggewezen, beoordeelt de rechtbank opnieuw het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag.
2.3.
Bij de aanvullende beroepsgronden van 2 mei 2025 heeft eiser een medische verklaring overgelegd van zijn behandelend psychiater dr. [psychiater] van 1 mei 2025.
2.4.
Verweerder heeft naar aanleiding van de medische verklaring een aanvullend medisch advies opgevraagd. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 22 juli 2025 een aanvullend medisch advies uitgebracht.
2.5.
De rechtbank komt in deze zaak tot het oordeel dat verweerder niet heeft kunnen concluderen dat eiser kan worden overgedragen aan Slovenië gelet op zijn medische situatie. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Wat staat er in het bestreden besluit?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Slovenië een overnameverzoek gedaan op 31 januari 2023. Slovenië heeft dit verzoek op 9 maart 2023 aanvaard. Verweerder heeft daarom besloten eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen en eiser over te dragen aan Slovenië. Volgens verweerder kan voor Slovenië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In de psychische problematiek van eiser ziet verweerder geen reden om af te zien van overdracht.
Wat zijn de standpunten van partijen?
4. Eiser voert onder verwijzing naar het arrest C.K. , aan dat bij overdracht aan Slovenië een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid moet worden verwacht. Hij verwijst naar de verklaring van zijn psychiater en stelt dat zijn medische toestand precies die uitzonderlijke individuele situatie betreft waarop het arrest C.K. ziet. Een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan hieraan niet afdoen. De door het BMA vastgestelde reisvereisten zijn volstrekt ontoereikend om het risico te beheersen. Verweerder heeft nagelaten een actuele medische beoordeling uit te voeren, ondanks de duidelijke signalen van verslechtering. Met de recente informatie die hij heeft overgelegd is hij ook aan te merken als bijzonder kwetsbaar persoon als bedoeld in het arrest Tarakhel.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser kan worden overgedragen aan Slovenië. Hij heeft hierbij verwezen naar de inhoud van het BMA-advies van 22 juli 2025. Hieruit volgt dat eiser kan reizen onder bepaalde voorwaarden. Verweerder heeft op de zitting gesteld dat het BMA-advies volledig en zorgvuldig tot stand is gekomen. Het BMA dient enkel te beoordelen of eiser medisch kan reizen. Dat is gebeurd conform Werkinstructie 2021/3. Deze werkwijze is op grond van vaste Afdelingsjurisprudentie voldoende in het kader van arrest C.K., aldus verweerder. Daaruit volgt ook dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de aankondiging van de overdracht: het gaat om de daadwerkelijke overdracht. Verweerder stelt dat hij kort voorafgaand, tijdens en direct na de overdracht zorg draagt voor eiser. Dat is volgens het BMA-advies medisch mogelijk. Verweerder stelt verder dat het BMA alle relevante medische informatie heeft meegenomen. Verweerder stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024 dat zijn vergewisplicht niet zover strekt dat bij het nemen van het overdrachtsbesluit al moet zijn voldaan aan de reisvoorwaarden. Verweerder beroept zich verder op het interstatelijk vertrouwensbeginsel waaruit volgt dat de medische voorzieningen in Slovenië vergelijkbaar zijn met die van Nederland.
Kan eiser worden overgedragen aan Slovenië?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet in is geslaagd om iedere ernstige twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van overdracht weg te nemen. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, waarin staat:
3.2
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7, volgt uit het arrest C.K. dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4, en van 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2.
3.3
In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, onder 4.3, en van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586, onder 10.
6.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de periode van de overdracht zelf, en dus de periode waarvoor verweerder deugdelijk moet motiveren dat er geen twijfel kan zijn over de weerslag van de overdracht aan Slovenië op eiser, gelet op deze uitspraak, beperkt is. Verder neemt de rechtbank de verklaring van eisers behandelend psychiater in aanmerking, waarin staat:
“1. Staat cliënt onder medische behandeling en zo ja waarvoor en waaruit bestaat die behandeling? is er sprake van verslechtering?
De heer [eiser] is sinds mei 2023 onder behandeling vanwege een zeer ernstige
psychiatrische diagnose te weten:
*Posttraumatische stressstoornis en
*Depressieve stoornis*
Hij wordt psychologisch en psychiatrisch behandeld voor de ernstige klachten die samenhangen met de traumata die hij heeft ondergaan. De behandeling omvat zowel psychologische trauma behandeling als psychiatrische medicamenteuze behandeling.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een aanvullend beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 juni 2023;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot een betaling van €1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Zaaknummer NL23.16725.
ECLI:NL:RBDHA:2023:19901.
ECLI:NL:RVS:2025:709.
Op 15 september 2023 en 10 december 2024 heeft BMA eerder medische adviezen uitgebracht.
Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127.
Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, Tarakhel, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ECLI:NL:RVS:2024:2560.
ECLI:NL:RVS:2025:3297.
ECLI:NL:RVS:2025:3297, onder 3.2 en 3.3.