Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:15035
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,033 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.35901
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft op 15 juli 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 24 juli 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 4 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 8 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 12 augustus 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Eiser verzoekt om het door verweerder bij kennisgeving ingestelde beroep tegen de aan hem opgelegde maatregel van bewaring niet-ontvankelijk te verklaren. Het op 15 juli 2025 ingediende beroep tegen diezelfde maatregel van 7 juli 2025 is namelijk bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 24 juli 2025 ongegrond verklaard. Eiser verzoekt daarnaast om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
3. Verweerder erkent dat de rechtmatigheid van de oplegging van de maatregel van 7 juli 2025 reeds is beoordeeld door de rechtbank en dat hij daarom de kennisgeving van 4 augustus 2025 onverplicht heeft doen uitgaan. Verweerder verzoekt daarom het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Vast staat dat eiser reeds op 15 juli 2025 beroep heeft ingesteld tegen de oplegging van de maatregel van 7 juli 2025 en dat dit beroep bij uitspraak van 24 juli 2025 ongegrond is verklaard. Daarmee bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan naar aanleiding van de door verweerder ingediende kennisgeving. Daarbij is niet in geschil dat voor het verzenden van de kennisgeving geen aanleiding bestond. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
5. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, nu deze procedure het gevolg is van het door verweerder verzonden kennisgeving. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is, omdat het beroep enkel ziet op de ontvankelijkheid van het door verweerder bij kennisgeving ingestelde beroep.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan op 12 augustus 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:14461.