Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-24
ECLI:NL:RBDHA:2025:14973
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,510 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26236
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser]
, eiser
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Sanchez Rhemrev).
Inleiding
Bij besluit van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn niet ter zitting verschenen.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een beroepschrift de gronden van het beroep te bevatten. Als dat niet het geval is, kan op grond van artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarbij geldt de voorwaarde dat de indiener de gelegenheid moet hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
1.1.
Bij digitaal bericht van 13 juni 2025 is aan eiser meegedeeld dat het beroepschrift geen gronden bevatte. In ditzelfde bericht is de gelegenheid geboden om uiterlijk 20 juni 2025 de gronden alsnog in te dienen, waarbij is vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als er geen gronden worden ingediend. Deze termijn is verstreken zonder dat van die gelegenheid gebruik is gemaakt.
1.2.
Bij bericht van 23 juni 2025 is de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om voor 27 juni 2025 aan de rechtbank te laten weten of er redenen zijn waarom de gronden niet zijn ingediend. Op 23 juni 2025 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat eiser geen aanvullend medisch bewijs heeft verstrekt waardoor er geen argumenten waren om de gronden van beroep (of het verzoek om voorlopige voorziening) aan te voeren. Tot slot heeft de gemachtigde van eiser aangegeven geen toestemming te hebben om de aanhangig gemaakte procedures in te trekken. Tot op heden zijn er geen gronden ingediend.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?
2. Eiser heeft geen verschoonbare reden gegeven voor dit verzuim. Hierbij acht de rechtbank de omstandigheid dat eiser geen medisch stuk aan zijn gemachtigde heeft verstrekt geen verschoonbare reden is voor het niet indienen van beroepsgronden.
3. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Bahaddar
4. De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden, als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest Bahaddar (Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die maken dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege moet blijven. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor als wat is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat hiervan in dit geval geen sprake is. De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, en van 17 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2698 volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser zijn stellingen over zijn medische klachten en maffialeden in Frankrijk niet heeft onderbouwd. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan worden uitgegaan dat Frankijk gelijkwaardige zorg aan eiser kan bieden en dat eiser bescherming zal krijgen (tegen derden) indien hij om hulp verzoekt bij de Franse autoriteiten. Bovendien heeft Frankrijk op 20 januari 2025 het claimverzoek geaccepteerd, zodat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de (herhaalde) asielaanvraag van eiser in Frankrijk niet in behandeling zal worden genomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval anders is.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.