Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2025:14920
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,012 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.13017 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposante]
, opposante
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: [naam]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2024 in het geding tussen
opposante
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 11 april 2024 waarin de rechtbank het beroep van opposante ongegrond heeft verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 is samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het verzoek van opposante om verweerder in de proceskosten te veroordelen afgewezen.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 11 april 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het verzoek van opposante om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen.
3. Opposante voert in verzet aan dat de rechtbank in haar uitspraak van 11 april 2024 een onjuiste toetsing heeft gehanteerd en opposante ten onrechte niet heeft gehoord en de kans heeft gegeven om de gronden toe te lichten. Ten onrechte heeft verweerder de beslistermijn voor wat betreft aanvragen met de WBV 2022/22 en vervolgens de WBV 2023/3 verlengd. De Procedurerichtlijn laat verlenging van de beslistermijn ook niet toe.
4. De rechtbank overweegt dat uit artikel 8:75a van de Awb voortvloeit dat een proceskostenvergoeding bij een intrekking van het beroep alleen kan worden toegekend als het bestuursorgaan, in dit geval verweerder, geheel of gedeeltelijk aan het beroep tegemoet is gekomen. Aangezien opposante het beroep heeft ingetrokken nog voordat er op de door opposante ingediende asielaanvraag was beslist, wordt niet voldaan aan dit vereiste. De rechtbank heeft dus in de uitspraak van 11 april 2024 terecht geoordeeld dat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestond. In dat kader wordt ook het standpunt van opposante dat de beslistermijn ten onrechte is verlengd, niet gevolgd. Opposante heeft namelijk het beroep ingetrokken, nog voordat er op de asielaanvraag in kwestie was beslist. Hierdoor ging het in de uitspraak van 11 april 2024 enkel nog om de vraag of aan opposante een proceskostenveroordeling toekwam. Dat opposante er (vermoedelijk) gelet op de gronden van het verzet ten onrechte vanuit is gegaan dat er ten tijde van de uitspraak van 11 april 2024, dan wel het verzet, nog een beroep liep maakt het voorgaande niet anders.
5. In de uitspraak van 11 april 2024 kon dan ook buiten redelijke twijfel worden overgegaan tot afwijzing van het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak van 11 april 2024 in stand blijft.
Conclusie
6. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 11 april 2024. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.