Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:14783
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23139
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R.R. Scholtens).
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 23 mei 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. Eiser voert – naar de rechtbank begrijpt – aan dat zijn staandehouding onrechtmatig was. Eiser stelt dat hij op dat moment rechtmatig verblijf had. Er liepen ook nog procedures bij de rechtbank tegen het jegens hem genomen overdrachtsbesluit. Verder creëerden de agenten een gevaarlijke situatie door met hun busjes het pad waarop eiser fietste te blokkeren en hebben zij tegen eiser gezegd dat de politie meer macht had dan de rechtbank.
2.1.
Uit het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding van 21 mei 2025 blijkt dat eiser op die dag is staande gehouden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Op grond van dit artikellid zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f tot en met h en m staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, indien dit nodig is voor de voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, 59a of 59b. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiser op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw worden staande gehouden, omdat op 1 april 2025 een overdrachtsbesluit is genomen waaruit volgt dat eiser in afwachting van zijn feitelijke overdracht in de zin van de Dublinverordening rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder m, van de Vw. Wat eiser heeft gesteld over de feitelijke gang van zaken rondom zijn staandehouding, wat daar ook van zij, kan aan de juistheid van de wettelijke grond voor staandehouding niet afdoen. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Voor zover eiser aanvoert dat hij niet in bewaring kon worden gesteld vanwege de lopende beroepsprocedure tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en het verzoek om voorlopige voorziening dat hij had ingediend, slaagt deze beroepsgrond niet. In het overdrachtsbesluit is vermeld dat eiser de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag afwachten. Ter zitting heeft verweerder onweersproken meegedeeld dat omdat eiser het verzoek om een voorlopige voorziening niet binnen 24 uur had ingediend, hij de uitspraak van de voorzieningenrechter ook niet in Nederland mag afwachten. Eiser had weliswaar rechtmatig verblijf in afwachting van zijn feitelijke overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening, maar dat rechtmatig verblijf stond niet in de weg aan de inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Voor een inbewaringstelling op die wettelijke grond is vereist dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en dat een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Aan deze twee vereisten was in eisers geval voldaan, gelet op het claimakkoord van de Belgische autoriteiten van 27 november 2024 en het overdrachtsbesluit van 1 april 2025, en nu er voldoende zware en lichte gronden waren die verweerder aan eiser kon tegenwerpen. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder na de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarbij eisers verzoek om voorlopige voorziening is toegewezen en het besluit van 1 april 2025 is geschorst, dezelfde dag nog de maatregel van bewaring heeft opgeheven.
De beroepsgrond slaagt niet.
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment tot het moment van opheffen daarvan onrechtmatig was.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.