Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-05
ECLI:NL:RBDHA:2025:14549
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,426 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33542
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Kroatische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. De minister heeft op 30 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 mei 2025 (in de zaak NL25.20290) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 9 mei 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, doordat pas op 4 juni 2025 een laissez-passer aanvraag is verzonden naar de Kroatische autoriteiten. Eiser betoogt verder dat hem een lichter middel in de vorm van een meldplicht opgelegd kan worden, nu hij kan verblijven bij een vriendin in Rotterdam. Eiser is bereid zich te onderwerpen aan het toezicht op vreemdelingen en zich aan een eventuele meldplicht te houden.
5. De rechtbank overweegt dat de minister in de enkele – niet nader onderbouwde – stelling van eiser, dat hij bij een vriendin in Rotterdam kan en wil verblijven en zich wil houden aan een meldplicht, terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Ook het enkele feit dat de tenuitvoerlegging van de bewaring plaatsvindt in Veldzicht, leidt niet tot het oordeel dat de minister een lichter middel dan bewaring op had moeten leggen. Eiser heeft verder geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de bewaring in de beoordelingsperiode onevenredig bezwarend is geworden of waarin de minister aanleiding had moeten zien een lichter middel op te leggen.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en de op de zitting door de minister naar voren gebrachte informatie blijkt dat, sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, de nationaliteit van eiser is bevestigd door de Kroatische autoriteiten. Daarnaast zijn op 27 mei 2025, op 6 juni 2025 en op 15 juli 2025 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De minister heeft aangegeven dat er op 4 augustus 2025 een presentatie bij de Kroatische ambassade gepland staat en dat die benodigd is voor het verkrijgen van een lp. De minister heeft op de zitting toegelicht, dat er op 6 mei 2025 een Nederlandstalig formulier naar de Kroatische autoriteiten is verstuurd, omdat eiser niet mee wilde werken aan vertrek. Vervolgens reageerden deze autoriteiten na vier weken dat zij het formulier in de Kroatische taal wilden ontvangen. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze stelling van de minister te twijfelen. Deze gang van zaken acht de rechtbank dan ook voldoende voortvarend.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat niet is gebleken dat zicht op uitzetting naar Kroatië ontbreekt. In het specifieke geval van eiser hebben de Kroatische autoriteiten zijn nationaliteit bevestigd, staat een presentatie gepland op maandag 4 augustus 2025 en wordt op korte termijn een vlucht geboekt na het verkrijgen van de lp.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Laissez-passer.