Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:14543
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,283 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3245
Zaaknummer: C/09/665852
Datum beschikking: 30 april 2025
Alimentatie
Beschikking op het op 30 april 2024 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.C. Reichmann te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het bericht van 26 juni 2024, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
het bericht van 20 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
het bericht van 21 maart 2025, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 2 april 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de man met zijn advocaat. Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] .
- Tevens zijn zij de ouders van het volgende meerderjarige kind:
- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
- De man heeft daarna de volgende vier minderjarige kinderen gekregen:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 4] 2013 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 5] 2015 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 5] , geboren op [geboortedatum 6] 2018 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 6] , geboren op [geboortedatum 7] 2020 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van 17 augustus 2021 – voor zover hier van belang – :
- is een voorlopige zorgregeling bepaald;
- is de door de man met ingang van 1 augustus 2021 aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op € 210,- per maand bepaald, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren voor het eerst per 1 januari 2022, en is het door de man meer of anders verzochte over een verlaging van de kinderalimentatie afgewezen;
- zijn partijen verwezen naar Coöp JGT Holland Rijnland voor deelname aan het traject Kinderen uit de Knel.
- In afwijking van de beschikking van 17 augustus 2021 hebben partijen afspraken gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, inhoudende dat de man aan de vrouw een bedrag van € 175,- per kind per maand betaalt ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Geïndexeerd naar 2025 is dit
€ 209,- per kind per maand.
Verzoek en verweer
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man aan haar een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen dient te voldoen van € 654,- per maand per kind met ingang van augustus 2023, dan wel datum indiening van dit verzoekschrift, dan wel een datum die de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De man voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat hij met ingang van de datum van de te wijzen beschikking zal bijdragen in de kosten van de kinderen met een bedrag van ad € 216,50 per maand per kind, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Beoordeling
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
Tussen partijen staat vast, zo is ook namens de man op de zitting aangegeven, dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de kinderalimentatie.
Beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het Rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's.
Behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2021 in totaal € 1.754,- per maand bedroeg, zijnde € 585,- per maand per kind. Geïndexeerd naar 2025 is de behoefte € 697,- per kind per maand.
Partijen zijn het erover eens dat de man voor [jongmeerderjarige] geen bijdrage meer hoeft te betalen. Derhalve is de totale behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.394,- per maand.
De behoefte van de kinderen moet door partijen worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. Conform de aanbevelingen uit het Rapport Alimentatienormen dient de financiële draagkracht van partijen in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 X NBI + 1.310)], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen.
Draagkracht vrouw
De vrouw heeft gesteld dat zij een WIA-uitkering ontvangt van € 1.914,- per maand. Dit is door de man niet betwist. Derhalve zal de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw uitgaan van een inkomen van € 1.914,- per maand exclusief vakantiegeld.
Rekening houdend met de algemene heffingskorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.302,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 211,- per maand, te weten 70% x [2.302 – (0,3 X 2.302 + 1.310)].
Draagkracht man
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man dient volgens de vrouw gerekend te worden met de gemiddelde winst over de de jaren 2022, 2023 en 2024. De man voert hiertegen verweer en geeft aan dat de winst over het jaar 2023 niet representatief is. In dit jaar was sprake van een groot project in Den Haag, waardoor de winst gedurende dat jaar aanzienlijk hoger is dan de winst van voorgaande jaren. Daarnaast heeft de man aangegeven dat de cijfers van 2024 nog niet definitief zijn, maar dat de voorlopige cijfers in ieder geval een lager resultaat laten zien ten opzichte van 2023. Om deze reden dient volgens de man bij de berekening van zijn financiële draagkracht te worden uitgegaan van de gemiddelde winst over de jaren 2020, 2021 en 2022.
Nu beide partijen uitgaan van een gemiddelde winst over drie jaren, gaat de rechtbank hier in haar berekening van de financiële draagkracht van de man ook van uit. De rechtbank acht het daarbij redelijk om uit te gaan van een gemiddelde winst over de jaren 2021 (€ 69.636,-), 2022 (€ 80.036,-) en 2023 (€ 114.597,-), te weten € 88.090,-. Dit zijn de meest recente jaren waarover gegevens zijn verstrekt.
Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.852,- per maand.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.460,- per maand, te weten 70% x [4.852– (0,3 X 4.852 + 1.310)].
Verdeling draagkracht man
Tussen partijen is in geschil voor hoeveel kinderen de man onderhoudsplichtig is. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man in ieder geval over vijf kinderen verdeeld moet worden, namelijk over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] . Ter discussie staat of de man ook onderhoudsplichtig jegens [minderjarige 3] is, waardoor zijn draagkracht over zes kinderen verdeeld moet worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Zij zal ervan uitgaan dat de man nog steeds een onderhoudsverplichting ten aanzien van [minderjarige 3] heeft, waardoor de draagkracht van de man over zes kinderen verdeeld moet worden. Verder zal de rechtbank aansluiten bij wat is overwogen in de beschikking van deze rechtbank van 17 augustus 2021 en de draagkracht van de man gelijkelijk verdelen over zijn zes minderjarige kinderen. De rechtbank ziet geen redenen waarom dit anders zou moeten zijn. De rechtbank zal daarbij dus de draagkracht van de moeder van [minderjarige 3] en de moeder van [minderjarige 4] , [minderjarige 5] en [minderjarige 6] buiten beschouwing laten. Dit betekent dat de man voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een draagkracht beschikbaar heeft van ( € 1.460,- / 6 x 2 =) € 487,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 698,- per maand (€ 211,- + € 487,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 696,- per maand. Nu de draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend.
Zorgkorting
Voor wat betreft de zorgkorting volgt de rechtbank ook de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het percentage van de zorgkorting afhankelijk is van de hoeveelheid zorg. Gelet op de zorgregeling, zou de man naar het oordeel van de rechtbank in beginsel aanspraak kunnen maken op een zorgkorting van 25% van de behoefte, oftewel € 348,- per maand.
Nu het tekort aan gezamenlijke draagkracht (€ 697,-) meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, dient de man conform de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen zijn volledige draagkracht aan te wenden. De man kan zijn zorgkorting dus niet verzilveren.
Ingangsdatum
De vrouw verzoekt de kinderalimentatie primair vast te stellen met ingang van 1 augustus 2023, subsidiair per datum van indiening van het verzoekschrift en meer subsidiair per datum van deze beschikking. De man voert verweer en meent dat de ingangsdatum bepaald moet worden op de datum van deze beschikking.
De rechtbank stelt voorop dat terughoudend moet worden omgegaan met het vaststellen van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht. Aangezien de man tot op heden een bedrag heeft betaald dat niet substantieel lager is dan de kinderalimentatie die de rechtbank zal vaststellen, zal de rechtbank als ingangsdatum de datum van deze beschikking, te weten 30 april 2025, hanteren.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de door de man, met ingang van 30 april 2025, te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 487,- per maand, oftewel € 244,50 per kind per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Dictum
De rechtbank – met wijziging in zoverre na de beschikking van 17 augustus 2021 onderling getroffen regeling – :
bepaalt de door de man met ingang van 30 april 2025 te betalen alimentatie voor de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] .
op € 244,50 per kind per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.M. Vingerling rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 april 2025.