Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-08-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:14473
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,050 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33970
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
De minister heeft op 5 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De oplegging van de maatregel is eerder getoetst bij de uitspraak van 24 maart 2025. Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraken van 30 april 2025, 30 mei 2025, 30 juni 2025 en 15 juli 2025.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opnieuw beroep ingesteld.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 30 juli 2025 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 15 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 8 juli 2025) onrechtmatig is.
Beroepsgronden
2. Eiser betoogt dat de minister niet voortvarend handelt en dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd. Eiser heeft zijn stellingen niet onderbouwd. De rechtbank ziet aan de hand van de voortgangsrapportage geen grond voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Libië binnen een redelijke termijn ontbreekt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat een laissez-passer (lp) aanvraag bij de Libische autoriteiten nog loopt. De rechtbank is niet gebleken dat de Libische autoriteiten te kennen hebben gegeven dat zij ten behoeve van eiser geen lp zullen afgeven of dat zij niet willen meewerken aan de terugkeerprocedure. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat de minister op 24 juli 2025 heeft gerappelleerd en op 8 juli 2025 een vertrekgesprek heeft gehouden met eiser. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toets
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 24 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5104.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7351.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9596.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11472.
Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 15 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13335.
Rb. Den Haag (zp Arnhem), 26 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11345.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.