Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:14232
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,266 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28904
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Bonth).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek om intrekking van het terugkeerbesluit van 10 september 2019 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen meegedeeld dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Eiseres en verweerder hebben hierop instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser heeft op 25 augustus 2018 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 12 september 2019 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is ongegrond verklaard. Ook het hoger beroep van eiser is ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft op 20 december 2023 aan verweerder verzocht om het terugkeerbesluit van 12 september 2019 in te trekken, omdat verweerder in het besluit van 12 september 2019 geen onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eiser in het land van herkomst. Bij besluit van 4 maart 2024 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, waarbij hij eveneens heeft verzocht het inreisverbod van 26 november 2023 in te trekken. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt dat verweerder overeenkomstig het arrest TQ nader onderzoek had moeten doen naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eiser in het land van herkomst. Dat het terugkeerbesluit in rechte vaststaat, doet hier niets aan af. De uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2019 is een misslag, omdat de rechtbank niet wilde wachten op het antwoord op de prejudiciële vragen die uiteindelijk tot het arrest TQ hebben geleid. Omdat het terugkeerbesluit onrechtmatig is uitgevaardigd, is ook het inreisverbod onrechtmatig tegen eiser uitgevaardigd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. De rechtmatigheid van het terugkeerbesluit van 12 september 2019 staat in rechte vast. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd kan niets aan deze vaststelling afdoen. De rechtbank stelt daarnaast met verweerder vast dat het terugkeerbesluit en de rechterlijke uitspraken zoals in rechtsoverweging 2 genoemd dateren van voor het arrest TQ. Verweerder heeft om deze redenen niet ten onrechte geweigerd het vaststaande terugkeerbesluit in te trekken. Verweerder heeft daarin dan ook geen aanleiding hoeven zien om het inreisverbod van 26 november 2023 in te trekken.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, 10 oktober 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4893.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 10 juni 2020, kenmerk 202002960/1/V3.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
Zie over het inreisverbod van 26 november 2023 ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2023:21138.