Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:14180
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31592
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K. Diender).
Inleiding
1. De minister heeft op 26 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling
2. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 19 juni 2025. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 13 juni 2025 rechtmatig is.
Beroepsgrond van eiser
4. Eiser voert aan dat er geen voortgang is en dat verweerder niet heeft onderbouwd dat er zicht is op uitzetting.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije niet ontbreekt.
5.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. In de periode vanaf 13 juni 2025 is er nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser, en is er twee keer een vlucht geboekt. Dat er ondanks de toezegging dat er een LP zal worden verstrekt nog geen LP is verstrekt betekent niet dat er onvoldoende voortvarend wordt gewerkt aan de uitzetting.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2025:10690.
ECLI:NL:RVS:2024:1892.