Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:13872
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,309 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14821
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de Minister van Asiel en Migratie (voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), verweerder
(gemachtigde: L.S. Hartog).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar is van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
4. Eiser heeft op 19 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 3 april 2024 (het bestreden besluit) deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft op 5 april 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 17 juni 2025 heeft de minister het besluit nader gemotiveerd.
5. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: E.J. Nijembo-Katumbwe.
Beoordeling
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1986. Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is etnisch Kabyl. Eiser heeft verklaard dat hij Algerije in 2022 heeft verlaten omdat hij sinds 2004 afvallig is van de islam en kritiek uit op de islam. Hierdoor heeft eiser te maken gehad met bedreiging op werk. Daarnaast is eiser sympathisant van de Movement for the Autonomy of Kabylie (MAK). Eiser is op verschillende manieren betrokken geweest bij de MAK. Tussen 2005 en 2008 heeft eiser deelgenomen aan demonstraties en was hij betrokken bij de organisatie van meerdere demonstraties. Bij terugkeer naar Algerije vreest eiser dat hij vanwege zijn etniciteit, afvalligheid en sympathie voor de MAK door de Algerijnse autoriteiten vervolgd zal worden. Eiser vreest dat hij zal worden gevangen genomen, vernederd en mogelijk ter dood veroordeeld.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende geloofwaardig geachte asielmotieven:
(1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) afvalligheid van de islam;
(3) sympathie voor de MAK.
8. De minister wijst de aanvraag van eiser af als ongegrond. In het besluit van 3 april 2024 overweegt de minister eerst dat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld met een verzoek om internationale bescherming. Vervolgens acht de minister de geloofwaardige asielmotieven en ondervonden problemen van eiser niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico op schade loopt bij terugkeer naar Algerije. De minister oordeelt dat de discriminatie niet ernstig genoeg is om te leiden tot gegronde vrees voor vervolging en dat eisers afvalligheid geen onderdeel uitmaakt van zijn religieuze identiteit. Dat eiser kritiek uit op de islam leidt volgens de minister evenmin tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, aangezien dit – anders dan in de vorm van belediging – niet strafbaar is in Algerije. Daarbij benadrukt de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn uitlatingen in de negatieve belangstelling van de Algerijnse autoriteiten staat. Dat eiser als MAK-sympathisant persoonlijk risico loopt of in negatieve aandacht staat, is evenmin aannemelijk gemaakt. Gelet hierop komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder a en b, van de Vw. Het besluit geldt ook als terugkeerbesluit.
9. Op 17 juni 2025 heeft de minister het besluit naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688, waarop eiser een beroep heeft gedaan, nader gemotiveerd. Hiervoor is eiser opnieuw gehoord. De minister heeft aangenomen dat eiser als MAK-sympathisant een geloofwaardige politieke overtuiging heeft, maar dat geen sprake is van een situatie dat eiser bij terugkeer naar Algerije gevaar voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Gelet op deze nadere motivering kan worden vastgesteld dat eiser terecht in beroep is gegaan en dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Dit betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bestreden besluit met de nadere motivering voldoende is hersteld en of de rechtsgevolgen in stand kunnen worden gelaten.
Moment van de asielaanvraag
10. De minister stelt dat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld met een verzoek om internationale bescherming. Eiser verbleef zeven maanden in Frankrijk voorafgaand aan zijn komst naar Nederland, maar vroeg daar geen asiel aan. Volgens de minister doet dit afbreuk aan de oprechtheid van eisers verzoek.
11. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen dit standpunt van de minister. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van de minister.
Discriminatie vanwege etniciteit
12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat de discriminatie vanwege zijn afkomst uit Kabyl niet leidt tot een vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eiser stelt dat de minister de psychische en sociale beperkingen die hij ervaart ten onrechte niet heeft betrokken in de besluitvorming. Deze omstandigheden leiden volgens eiser ertoe dat hij niet goed kan functioneren in Algerije.
13. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat discriminatie kan worden aangemerkt als een daad van vervolging, maar alleen als de vreemdeling door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn of haar bestaansmogelijkheden dat hij of zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:454). Dit is nader uitgewerkt in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De lat om op grond van discriminatie te worden aangemerkt als verdragsvluchteling ligt dus hoog.
14. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser door zijn etniciteit niet dusdanig ernstige belemmeringen in zijn bestaansmogelijkheden heeft ervaren, dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De minister verwijst hierbij terecht naar de verklaringen van eiser waaruit blijkt dat hij in Algerije (hoger) onderwijs heeft gevolgd en heeft gewerkt (p. 4 en 8-9 verslag nader gehoor). Ook blijkt uit eisers verklaringen dat hij in bezit is gesteld van identificerende documenten, waarmee hij op legale wijze heeft kunnen reizen (p. 4-5 aanmeldgehoor). De stelling van eiser dat hij vanwege psychische en sociale beperkingen niet kan functioneren in Algerije is niet nader toegelicht of onderbouwd met stukken. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.
Afvalligheid van de islam
15. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Algerije risico’s loopt vanwege zijn kritiek op de islam. Eiser voert aan dat de minister het onderscheid tussen belediging en het uiten van kritiek ontoereikend heeft gemotiveerd, nu de onderbouwing enkel bestaat uit een verwijzing naar de Van Dale. Eiser stelt dat de minister niet heeft toegelicht of onderzocht of de Algerijnse wet een onderscheid maakt tussen de twee termen, of dat deze op gelijke wijze worden uitgelegd. Dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de Algerijnse autoriteiten staat, omdat enkel belediging strafbaar is gesteld, is volgens eiser onvoldoende.
16. De rechtbank overweegt het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat, hoewel afvalligheid op zichzelf niet strafbaar is in Algerije, het beledigen van de islam wel strafbaar is. De minister heeft er terecht op gewezen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij vanwege zijn uitingen over de islam in de negatieve belangstelling staat van de Algerijnse autoriteiten. Naar oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. In dit verband heeft de minister ter zitting terecht gewezen op eisers verklaringen, waaruit blijkt dat hij zijn kritiek op de islam heeft geuit tegenover specifieke personen en kennissen, terwijl bovendien onduidelijk blijft wat de precieze inhoud van deze kritiek is (p. 9 en 10 verslag nader gehoor). Ook heeft de minister bepalend kunnen achten dat eiser sinds 2004 afvallig is van de islam en pas in 2022 uit Algerije is vertrokken, waar hij gedurende die periode zonder problemen in Algerije heeft kunnen studeren, werken en reizen.
Beoordeling
19. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem aangevoerde asielmotieven op zichzelf bezien en beoordeeld niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Algerije een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Hierdoor kunnen deze omstandigheden – zoals de minister terecht ter zitting heeft gesteld – in samenhang beoordeeld ook niet leiden tot een vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De stelling van eiser dat de minister de asielmotieven niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld, alsmede de verwijzing naar Werkinstructie 2014/10, zijn gelet op het voorgaande onvoldoende om tot een andere conclusie te leiden, te meer nu eiser dit niet nader heeft onderbouwd. De beroepsgrond van eiser dat de minister de door hem aangevoerde asielmotieven niet dan wel niet voldoende in samenhang heeft beoordeeld, slaagt daarom niet.
Conclusie
20. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank aanleiding ziet om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft zich met het aanvullende besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder a en b, van de Vw. Eiser heeft in beroep ook voldoende gelegenheid gehad zijn gronden toe te lichten en te onderbouwen.
21. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 3 april 2024;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juli 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.