Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-13
ECLI:NL:RBDHA:2025:13569
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
1,730 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/678601 / KG ZA 25-37
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 13 maart 2025
in de zaak van
[de vader]
te [woonplaats 1] ,
eiser, tevens de vader,
advocaat mr. N. van Amsterdam te Leiden.
tegen:
[de moeder]
te [woonplaats 2] ,
gedaagde, tevens de moeder,
advocaat mr. L.T.C.M. Geurts te ’s-Gravenhage.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als de man en de vrouw.
Aanwezig is mr. M.F. Baaij, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops griffier.
Op de zitting zijn verschenen: de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht gereageerd op elkaars standpunten en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] . De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige] . Op 22 februari 2022 hebben partijen een ouderschapsplan opgesteld, inhoudende – voor zover hier van belang – dat:
[minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de vader. Het uitgangspunt is dat [minderjarige] het hoofdverblijf bij de moeder al krijgen wanneer zij over zelfstandige woonruimte beschikt en emotioneel in staat is [minderjarige] een veilige en stabiele opvoedomgeving te bieden;
zodra de moeder eigen woonruimte heeft wordt er gestreefd naar een co-ouderschapsregeling waarbij [minderjarige] de eerste week van de week bij de moeder verblijft en de tweede helft van de week bij de vader, alsmede dat de vakanties- en feestdagen bij helfte worden verdeeld.
Inmiddels heeft de moeder een zelfstandige woonruimte en heeft [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder. Daarnaast geven partijen uitvoering aan een zorgregeling waarbij [minderjarige] van vrijdagavond tot zondagavond bij de vader verblijft, waarbij de vader het halen en brengen op zich heeft genomen.
1.2.
De vader vordert – zakelijk weergegeven – de moeder te veroordelen de tussen partijen overeengekomen zorgregeling na te komen waarbij [minderjarige] iedere week van vrijdag uit school tot zondagavond bij de vader verblijft, op verbeurte van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat zij de regeling niet nakomt. Ter zitting heeft de vader aangegeven geen dwangsom meer te willen.
1.3.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
1.4.
Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt en de volgende afspraken gemaakt:
[minderjarige] is iedere vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur bij de vader;
de vader zal [minderjarige] uit school halen en op zondag terugbrengen naar het huis van de moeder.
1.5.
Op de zitting heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat partijen moeite hebben met het maken van duidelijke afspraken, de onderlinge communicatie en het vormgeven van het gezamenlijke ouderschap. Zij vinden het allebei voor [minderjarige] belangrijk dat daar verbetering in komt. Daarom hebben partijen op de zitting aangegeven dat zij willen deel nemen aan het traject Ouderschapsbemiddeling. De voorzieningenrechter zal partijen in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan dit vonnis is gehecht. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. Dit vonnis zal per post worden gezonden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. Omdat er geen bodemprocedure loopt zal de voorzieningenrechter bepalen dat de hulpverleningsinstanties de rechtbank niet hoeven te informeren over het verloop van voornoemd traject.
1.7.
De voorzieningenrechter benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders hun best doen om het traject goed af te ronden. Dat is in de eerste plaats in het belang van [minderjarige] , die nog jong is en zijn beide ouders nodig heeft, en ook in het belang van de ouders, die samen verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en nu en in de toekomst nog veel belangrijke beslissingen moeten nemen.
Proceskosten
1.8.
Omdat het in deze zaak gaat over een procedure van familierechtelijke aard, is de voorzieningenrechter van oordeel dat iedere partij de eigen proceskosten moet dragen.
Dictum
De voorzieningenrechter:
2.1.
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- iedere vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de vader [minderjarige] uit school haalt en op zondag naar het huis van de moeder brengt;
2.2.
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (de vader),
wonende in [woonplaats 1] ,
en
[de moeder] (de moeder),
wonende in [woonplaats 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) dit vonnis te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
2.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
2.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. A.I. Knops mr. M.F. Baaij