Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:13542
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,093 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1705
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Rodriguez Gonzalez),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college
(gemachtigde: K. Bergakker).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de toekenning van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in verband met zijn draagkracht uit inkomen (primair besluit 1) en de afwijzing van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtshulp vanwege draagkracht uit vermogen (primair besluit 2).
1.1.
Met het besluit van 4 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op 21 januari 2025 heropend en eiser in de gelegenheid gesteld om het besluit van 26 juli 2022 in te dienen. Partijen hebben aanvullende stukken ingediend, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.1.
Eiser staat onder bewind. Eiser heeft op 19 juli 2023 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering ter hoogte van € 125,54 per maand en voor de eenmalige betaling van € 10,-. Op 2 augustus 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van rechtshulp voor een eigen bijdrage ter hoogte van € 159,-.
2.2.
Het college heeft met primair besluit 1, gehandhaafd na bezwaar, bijzondere bijstand toegekend voor bewindvoeringskosten voor de periode van 20 juli 2023 tot met 19 juli 2024 ter hoogte van € 92,60 per maand, rekening houdend met een draagkracht uit inkomen van € 32,94 per maand. Eiser heeft ook eenmalig € 10,- vergoed gekregen voor de bankkosten over het jaar 2023. In dit besluit is het vermogen van eiser niet berekend. Met primair besluit 2, gehandhaafd na bezwaar, heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat het vermogen van eiser boven de vermogensgrens van € 7.605,- ligt.
Bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten (primair besluit 1)
Heeft het college de draagkracht uit inkomen juist vastgesteld?
3. Het recht op bijzondere bijstand kan alleen bestaan voor zover de betrokkene de kosten waarvoor de bijstand is gevraagd naar het oordeel van het college niet kan betalen uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Dit volgt uit artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw). Als aan de voorwaarde van ‘onvoldoende draagkracht’ is voldaan, is het college bevoegd en verplicht om de bijzondere bijstand dienovereenkomstig toe te kennen.
3.1.
Het college komt bij het vaststellen van die draagkracht een zekere beoordelingsruimte toe. Deze houdt in dat het college vrij is te bepalen met welk deel van het in aanmerking te nemen inkomen boven bijstandsniveau rekening wordt gehouden en over welke periode de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Bij de vaststelling van de draagkracht kunnen geen middelen worden betrokken die buiten het wettelijk inkomensbegrip als bedoeld in artikel 31 van de Pw vallen.
3.2.
Het college heeft voor de toepassing van de beoordelingsruimte beleidsregels over de draagkrachtbeoordeling neergelegd in de Beleidsregels bijzondere bijstand 2022 (de Beleidsregels). In artikel 6 van de Beleidsregels is opgenomen dat betrokkenen met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) en zonder vermogen boven de in artikel 34, derde lid, van de Pw genoemde vermogensgrens, geen draagkracht hebben. Bij een inkomen van hoger dan 110% van de bijstandsnorm wordt de draagkracht vastgesteld op 20% van het meerinkomen tot 130% van de bijstandsnorm, 50% van het meerinkomen tussen 130% en 150% van de bijstandsnorm en 100% van het meerinkomen voor zover dat meer bedraagt dan 150% van de bijstandsnorm.
3.3.
Dat eiser aanspraak heeft op bijzondere bijstand voor de kosten voor bewindvoering staat tussen partijen niet ter discussie. Wat partijen verdeeld houdt is de hoogte van het inkomen van eiser en de daaruit voortvloeiende draagkracht. Bij het berekenen van de draagkracht gaat het college uit van een inkomen van eiser uit zijn WIA-uitkering van juli 2023 ter hoogte van € 1.450,73 vermeerderd met de inkomsten uit werkzaamheden over mei, juni en juli 2023 ter hoogte van gemiddeld € 88,32 per maand. Het maandinkomen in de te beoordelen periode is daarom vastgesteld op € 1.539,05.
3.4.
Eiser stelt dat het college zijn (draagkracht uit) inkomen onjuist heeft vastgesteld. Het college heeft namelijk ten onrechte de onkostenvergoedingen die hij voor het doen van klusjes in de maanden juni en juli van 2023 heeft ontvangen als inkomen aangemerkt. Het betreft vergoedingen voor kosten die zijn gemaakt in verband met vrijwilligerswerk. Het is volgens eiser niet te begrijpen waarom het college een onderscheid heeft gemaakt tussen diverse bedragen afkomstig van Print- en Copyshop Mobi B.V. (Mobi), die wel als vrijwilligersvergoeding zijn aangemerkt, en de bedragen afkomstig van overige particulieren, die niet als vrijwilligersvergoeding zijn aangemerkt. Daarnaast stelt eiser dat het onbekend is waar de stelling van het college vandaan komt dat het gemiddelde van de inkomsten van de drie aan de aanvraag voorafgaande maanden bepalend is. Er is geen regelgeving bekend waarin dit is neergelegd, aldus eiser.
3.5.
Het college voert aan dat het vaste uitvoeringspraktijk is dat bij onregelmatige inkomsten het gemiddelde van het inkomen in de drie maanden voorafgaand aan de aanvraag bepalend is. In geval van eiser zijn er in de drie maanden voorafgaand aan 19 juli 2023 diverse bedragen op de bankrekening van eiser gestort onder vermelding van ‘vergoeding klusjes’. Volgens het college heeft eiser niet aangetoond dat dit onkostenvergoedingen zijn. De herkomst van de bedragen is daarmee onduidelijk gebleven.
3.6.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de herkomst van de bedragen die hij in de maanden juni en juli van 2023 heeft ontvangen van particulieren. De stelling van eiser dat het gaat om een onkostenvergoeding is niet met objectieve verifieerbare gegevens onderbouwd. Dat de overschrijvingen een vermelding bevatten als ‘vergoeding klusjes’ is onvoldoende concreet om vast te stellen dat het daadwerkelijk om een onkostenvergoeding gaat. Het betoog van eiser dat het niet te begrijpen is waarom het college wel de bedragen afkomstig van Mobi als vrijwilligersvergoeding heeft aangemerkt, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de kosten afkomstig van Mobi heeft eiser immers aannemelijk gemaakt dat het gaat om een onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk, terwijl eiser hier bij de andere bedragen niet in is geslaagd.
3.7.
Wat betreft het betoog van eiser dat niet in regelgeving is vastgelegd dat bij onregelmatige inkomsten het gemiddelde van de afgelopen drie maanden wordt berekend, overweegt de rechtbank dat dit beleid valt aan te merken als een vaste gedragslijn. Zolang dit beleid binnen de grenzen van de redelijke beleidsbepalingen valt, doet het er niet toe of dit niet is vastgelegd in regelgeving. Niet is gesteld of gebleken dat deze gedragslijn onredelijk is.
3.8.
Echter, het college heeft in deze zaak de gedragslijn niet op juiste wijze toegepast. Voor de hoogte van de WIA-uitkering is immers slechts uitgegaan van de maand juli 2023, terwijl voor de overige inkomsten ook de maanden mei en juni zijn meegenomen. Indien het college deze gedragslijn toepast, dient zij dit over alle inkomsten te doen. Dit betekent dat ook de WIA-uitkering die eiser ontving over de maanden mei en juni, die bovendien lager was dan WIA-uitkering voor de maand juli, meegenomen had moeten worden in de inkomensberekening. Voor zover de beroepsgrond van eiser hierop ziet, slaagt deze.
Bijzondere bijstand voor rechtsbijstand (primair besluit 2)
Heeft het college ten onrechte een nieuwe draagkrachtberekening gemaakt?
4. Eiser stelt dat het college voor primair besluit 2 op basis van haar eigen Beleidsregels geen nieuwe draagkrachtberekening had mogen uitvoeren. Uit artikel 6 van de Beleidsregels volgt namelijk dat bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar rekening wordt gehouden met de bij een eerdere aanvraag vastgestelde jaardraagkracht. Het college heeft met primair besluit 1 de draagkracht van eiser vastgesteld voor de periode van 20 juli 2023 tot en met 19 juli 2024.
Conclusie
5. Het beroep is gezien het vorenstaande gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank zal niet zelf een beslissing over de aanvragen om bijzondere bijstand nemen. Dit omdat de rechtbank daarvoor over onvoldoende informatie beschikt.
5.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar tegen primair besluit 1 en primair besluit 2 met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hier 6 weken voor.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 4 januari 2024;
draagt het college op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2327.