Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:13501
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,634 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4933
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: D. van der Klaauw).
Inleiding
Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2023 (het primaire besluit) de aanvraag van eiser om handhavend op te treden tegen de plaatsing van een afvalcontainer ter hoogte van het [adres] te [plaats] afgewezen.
Met het bestreden besluit van 25 maart 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. Eiser heeft op 12 juni 2023 bij het college een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van een afvalcontainer die was geplaatst op de locatie [adres] in [plaats] . Het college heeft deze brief op 13 juni 2023 ontvangen.
3. Bij brief van 8 augustus 2023 heeft het college de beslistermijn op grond van artikel 4:14, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met acht weken verlengd en eiser medegedeeld ernaar te streven uiterlijk 3 oktober 2023 een besluit te nemen op zijn verzoek.
4. Op 19 september 2023 is door twee gemeentelijke toezichthouders een controle uitgevoerd naar de afvalcontainer. Zij hebben op dat moment geen afvalcontainer op de locatie [adres] waargenomen en daarom vastgesteld dat er op dat moment geen sprake was van een overtreding.
5. Op 26 september 2023 heeft het college eiser een brief gestuurd waarin zij het voornemen heeft geformuleerd het handhavingsverzoek af te wijzen, omdat er geen afvalcontainer was waargenomen. Op grond van artikel 4:7 Awb heeft het college eiser in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze over dit voornemen te geven. Eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt.
6. Op 3 oktober 2023 heeft het college met het primaire besluit het verzoek om handhaving afgewezen en is hier in de beslissing op bezwaar op 25 maart 2024 bij gebleven.
7. Eiser voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. De plaatsing van onvergunde containers zorgt voor een gevaarlijke situatie en het college had daarom in een veel eerder stadium moeten handhaven. Wat eiser betreft is acht weken al een ruime periode, maar dat het college daar nog langer over heeft gedaan is volgens eiser onverantwoord in het kader van de veiligheid van burgers. Ook had het college moeten erkennen dat zij met betrekking tot de handhaving ernstig tekort is geschoten en dat er lessen zijn geleerd.
8. Het college heeft ter zitting erkend dat de handhaving in dit geval langer op zich heeft laten wachten dan normaal. Dit kwam volgens het college door de zomervakantie en andere handhavingsprioriteiten op dat moment.
Wat oordeelt de rechtbank?
9. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Bij de beantwoording van die vraag dient te worden vooropgesteld dat de omvang van het beroep is beperkt tot de tijdigheid van handhaving door het college.
10. Uit vaste rechtspraak volgt dat pas sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiser met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een slechts formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
11. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Daargelaten of het gevaar ten tijde van het handhavingsverzoek bestond, staat vast dat er op 19 september 2023 geen afvalcontainer aanwezig was op de locatie Willem Dreespark ter hoogte van nummer 352. Eiser heeft dit ter zitting ook erkend. Eiser heeft bovendien aangegeven dat het hem te doen is om een oordeel dat het college sneller had moeten overgaan tot handhaving. Hoewel de rechtbank het standpunt van eiser onderschrijft dat het college sneller actie had kunnen ondernemen, kan eiser met dit beroep niet (meer) het resultaat behalen dat hij met het handhavingsverzoek wilde bereiken, namelijk het (laten) verwijderen van een afvalcontainer. Aangezien de door eiser gevraagde beoordeling niet kan leiden tot een voor hem gunstiger uitkomst, heeft eiser geen procesbelang. Overigens heeft de gemachtigde van het college ter zitting aangegeven in het vervolg haar best te doen sneller actie te ondernemen in dergelijke gevallen.
Conclusie
12. Uit het voorgaande volgt dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank verklaart daarom het beroep niet-ontvankelijk.
13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 april 2020, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2020:1107.