Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:13497
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,920 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3265
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit het [land] , eisers
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: I.S. IJserinkhuijsen).
Inleiding
1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de brief van de Consulaire Service Organisatie in Den Haag (CSO) van 7 december 2022. Hierin stond dat ze geen Nederlander meer zijn en dat hun Nederlandse paspoorten daarom niet meer geldig zijn.
1.2
In het bestreden besluit van 30 maart 2023 verklaart verweerder het bezwaar van eisers kennelijk niet-ontvankelijk. De brief van 7 december 2022 is namelijk geen besluit.
1.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 op zitting behandeld en het onderzoek geschorst in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
1.5
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft verweerder op 17 juli 2024 opnieuw op het bezwaar van eisers beslist en de bezwaren ongegrond verklaard.
1.6
Eisers hebben het beroep aangevuld en verzocht om het gewijzigde besluit op grond van artikel 6:19 Awb te betrekken in het onderhavige beroep.
1.7
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting op 18 februari 2025 hervat. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1
Eisers zijn geboren in [land van herkomst] . In 2012 verkregen eisers de Nederlandse nationaliteit. Eisers verhuisden op 29 maart 2013 met hun kinderen naar het Verenigd Koninkrijk en wonen daar sindsdien. Op 29 september 2017 kregen eisers een Nederlands paspoort. Op 8 september 2022 verkregen eisers vrijwillig de Britse nationaliteit.
2.2
Op 21 november 2022 hebben eisers tijdens hun vakantie in [land van herkomst] voor een van hun kinderen een nieuw Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in [plaats] , [land van herkomst] , omdat het oude paspoort was verlopen. Naar aanleiding daarvan is gebleken dat eisers op 8 september 2022 vrijwillig de Britse nationaliteit hebben verkregen door naturalisatie. Vervolgens is bij brief van 7 december 2022 aan eisers medegedeeld dat door vrijwillig de Britse nationaliteit te verkrijgen het Nederlanderschap, op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), voor hen verloren is gegaan en dat hiermee samenhangend de op 29 september 2017 verstrekte Nederlandse paspoorten van rechtswege zijn vervallen op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder a, van de Paspoortwet. In die brief zijn eisers verzocht om deze paspoorten bij de ambassade in te leveren.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Volgens eisers heeft verweerder ten onrechte geen Unierechtelijke evenredigheidstoets verricht op grond van het Tjebbes-arrest. Op grond van deze toets is het bestreden besluit volgens eisers vanuit Unierechtelijk oogpunt onevenredig. Eisers betogen dat zowel verweerder als de rechtbank op basis van dit arrest bevoegd zijn om te toetsen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en dat de mogelijkheid via artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN door verweerder ten onrechte als enige mogelijkheid is voorgeschreven om hieraan te toetsen. Eisers voeren aan dat het verlies van het Nederlanderschap voor hen onevenredig is geweest. Zij verliezen hun Nederlanderschap en daardoor in één klap ook hun Unieburgerschap. Ze kunnen na de studie van hun kinderen in Engeland niet meer in Nederland wonen en werken, terwijl dat altijd hun intentie was. Met name omdat vrienden en kennissen ook in Nederland wonen. Bovendien was het Verenigd Koninkrijk toen zij in 2013 daar naartoe verhuisden nog onderdeel van de Europese Unie en wisten zij in 2022 niet dat zij met het verkrijgen van de Britse nationaliteit hun Nederlanderschap zouden verliezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat verweerder ten onrechte geen Unierechtelijke evenredigheidstoets heeft verricht zoals bedoeld in het Tjebbes-arrest. Sinds 1 april 2022 voorziet de RWN namelijk in de mogelijkheid om vast te laten stellen dat het Nederlanderschap met terugwerkende kracht niet is vervallen, als dat vanuit Unierechtelijk oogpunt onevenredig is. Het gaat om de procedure van de optieverklaring voor het Nederlanderschap. Omdat eisers na 1 april 2022 de brief van de CSO hebben ontvangen, staat deze mogelijkheid voor hen open. Als eisers willen dat er inhoudelijk naar de vraag wordt gekeken of zij terecht hun Nederlanderschap verloren, dan kunnen zij een optieverklaring afleggen bij de Nederlandse ambassade in Londen. Bij de optieverklaring wordt wel getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. In een procedure over de vraag of de Nederlandse paspoorten op juiste gronden van rechtswege zijn vervallen bestaat geen ruimte meer voor de Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling. Verweerder hoefde daarom niet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel te toetsen. De rechtbank zal de omstandigheden die in dit kader zijn aangevoerd dan ook niet bespreken.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de paspoorten van eisers niet meer geldig zijn en dat eisers de paspoorten moeten inleveren. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Hof van Justitie van de Europese Unie 12 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:189.
Zie artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN.
Zie 6 eerste lid, aanhef en onder p RWN.
Zie paragraaf 3 van de toelichting op artikel 6 lid 1, aanhef en onder p, RWN in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003.
Zie rechtbank Den Haag 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22613.