Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:13492
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,028 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4206
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de Svb
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).
Inleiding
1.1
Eiser heeft op 22 december 2003 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Bij besluit van 16 januari 2004 (het toekenningsbesluit) is aan eiser met ingang van de maand waarin hij 65 jaar oud wordt, recht AOW-pensioen toegekend.
1.2
Met het besluit van 9 maart 2023 (het primaire besluit) heeft de Svb het AOW-pensioen van eiser per 1 juni 2023 verlaagd en een korting van 4% in mindering gebracht.
1.3
Met het besluit van 25 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
1.4
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.5
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
De rechtbank heeft partijen gewezen op de tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 en verzocht om zich hierover uit te laten. Partijen hebben hierop gereageerd.
1.7
De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de Svb deelgenomen.
Overwegingen
2.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2.2
Van [datum 1] 1969 tot en met [datum 2] 1972 heeft eiser in [land] gewoond en gewerkt. De rest van zijn werkende leven heeft hij in Nederland doorgebracht.
2.3
Op 9 oktober 2003 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen eiser en een medewerker van de Svb. Hierin is besproken dat de vrouw van eiser op een later moment dan hij zelf naar [land] is vertrokken, maar dat het voor de korting op zijn AOW-pensioen niets zou uitmaken.
2.2
Eiser heeft in december 2003 aan de hand van een formulier een AOW-pensioen aangevraagd. In dit formulier was al voorgedrukt dat eiser van [datum 1] 1969 tot en met [datum 2] 1972 in [land] heeft gewoond. Op de vraag of eiser in het buitenland heeft gewerkt heeft eiser “ja” geantwoord.
2.4
In het toekenningsbesluit staat onder andere het volgende: “Met ingang van juni 2004 bedraagt uw AOW-pensioen € 631,76 bruto per maand. Het bijbehorende vakantiegeld bedraagt € 31,27 bruto per maand. Dit is het maximale AOW-pensioen.”
2.5
In februari 2023 is de Svb erachter gekomen dat er een fout is gemaakt in het toekenningsbesluit van 2004. Er had 4% AOW-pensioen gekort moeten worden in het geval van eiser, hetgeen niet is gebeurd. De – naar beneden afgerond – 2 jaren dat eiser in [land] heeft gewerkt, waren namelijk niet door de Svb in mindering gebracht op eisers AOW-pensioen.
2.6
Met het primaire besluit heeft de Svb het toekenningsbesluit herzien op grond van artikel 17, eerste lid, onder b van de AOW en het AOW-pensioen van eiser met ingang van 1 juni 2023 verlaagd. Eiser kreeg vanaf dat moment netto € 29,16 minder aan AOW-pensioen. De Svb heeft afgezien van terugvordering van het te veel ontvangen bedrag voor de periode van juni 2004 tot 9 maart 2023.
Wettelijk kader
3.1
In artikel 17a, eerste lid en onder b, van de AOW staat dat de Svb een besluit tot toekenning of weigering van ouderdomspensioen herziet of intrekt indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
3.2
In artikel 17a, tweede lid, van de AOW staat dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Svb kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
3.3
In de Memorie van Toelichting bij dit artikel staat:
“Het verdient de voorkeur dat het uitvoeringsorgaan in alle gevallen een afweging maakt met betrekking tot herziening van de toekenningsbeschikking, aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat niet bij voorbaat in de wet verschillende gevolgen worden verbonden aan de omstandigheid dat betrokkene wel of niet door eigen toedoen heeft bijgedragen aan de foutieve toekenning.
[…]
Onderdeel b handelt over de gevallen waarin het uitvoeringsorgaan een fout heeft gemaakt die hersteld moet worden. Niet langer wordt uitdrukkelijk bepaald dat zulks alleen kan indien betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel kreeg; dit laatste is immers reeds in de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur begrepen.
[…]
Uitgangspunt van dit artikel is dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden. Deze verplichting dient het uitvoeringsorgaan met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur uit te oefenen. Deze beginselen kunnen ertoe leiden dat een herziening geheel of gedeeltelijk achterwege moet blijven. Teneinde ook in de wet tot uitdrukking te laten komen dat aan de verplichting niet een absoluut karakter kan worden toegekend in die zin dat nimmer ruimte voor welke afwijking dan ook zou bestaan, is in artikel [17a, tweede lid, van de AOW] een uitzonderingsbepaling geformuleerd.”
3.4
In de beleidsregel SB1407 over verlaging of intrekking van de uitkering (de beleidsregels) is onder andere het volgende opgenomen:
“De SVB heeft beleid ontwikkeld voor 3 situaties die veel voorkomen:
[…]
2. Door een fout van de SVB is een onjuist besluit genomen. De uitkering wordt dan zonder terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken.
In geval van een ‘kenbaar evidente fout’ wordt de uitkering wel met een terugwerkende kracht verlaagd of ingetrokken. De mate van terugwerkende kracht is een percentage van de periode waarover de SVB te veel uitkering heeft betaald, namelijk:
- 25% en maximaal 5 jaar als betrokkene de fout uit eigen beweging meldt aan de SVB;
- 50% en maximaal 5 jaar als betrokkene heeft verzuimd de fout aan de SVB te melden;
- 75% en maximaal 10 jaar als betrokkene grove schuld heeft aan het niet melden van deze fout;
- 100% en maximaal 20 jaar als betrokkene met opzet de fout niet aan de SVB heeft gemeld.
Of sprake is van een ’kenbaar evidente fout’ beoordeelt de SVB aan de hand van de communicatie tussen de SVB en de individuele betrokkene. Daarnaast is van belang welk besluit betrokkene van de SVB mocht verwachten op grond van de door hem verstrekte informatie. De SVB verwacht wel van betrokkene dat hij de brieven van de SVB zorgvuldig leest, maar niet dat hij de inhoud van de brieven controleert aan de hand van de wet- en regelgeving, de beleidsregels en de website van de SVB.
Evenredigheidstoets
Ook ziet de SVB geheel of gedeeltelijk af van de voorgenomen verlaging of intrekking als de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is. Bij deze beoordeling hecht de SVB belang aan:
de mate waarin de betrokkene een verwijt kan worden gemaakt; en
de mate waarin de SVB een verwijt kan worden gemaakt.”
Gronden van eiser
4. Eiser voert aan dat de verlaging van zijn AOW-pensioen met 4% na bijna 20 jaar in strijd is met de beginselen van behoorlijk bestuur en dan met name het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Hij heeft erop vertrouwd dat het aan hem toegekende AOW-pensioen met inachtneming van de gegevens op het aanvraagformulier is vastgesteld en dus dat de korting reeds was verwerkt in het toegekende bedrag. Ook is er volgens eiser sprake van verjaring. Uit de tussenuitspraak van de CRvB volgt volgens eiser bovendien dat uitkeringsinstanties ook moeten kijken naar de oorzaak van de herziening en hun eigen rol hierin. De Svb heeft in dit geval zelf een fout gemaakt bij de berekening van eisers AOW-pensioen bijna 20 jaar geleden. Verder is eisers pensioen nooit geïndexeerd terwijl de prijzen flink zijn gestegen. Het raakt eiser dus extra hard dat zijn AOW-pensioen door een fout van de Svb wordt gekort.
Standpunt van de Svb
5. De Svb stelt zich op het standpunt dat het AOW-pensioen van eiser per 1 juni 2023 terecht is herzien naar een pensioen met een korting van 4%. De Svb voert aan dat de Svb volgens de AOW en vaste rechtspraak bevoegd is om eventuele fouten naar de toekomst toe te herstellen. Dat de Svb een fout heeft gemaakt, betekent niet dat deze fout en de met de wet strijdige situatie moet blijven voortbestaan. Dat deze fout 19 jaar geleden is gemaakt en dat eiser bij zijn AOW-aanvraag alle benodigde informatie heeft verstrekt, maakt dat volgens de Svb niet anders. Volgens de Svb kan er in dit geval geen geslaagd beroep worden gedaan op het vertrouwensbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel omdat het AOW-pensioen uit publieke middelen wordt gefinancierd en het algemeen belang daarom zwaarder weegt.
Beoordeling
6.1
Tussen partijen is niet in geschil dat de oorzaak van de herziening van het AOW-pensioen van eiser is gelegen in een fout van de Svb waar eiser in het geheel geen aandeel heeft gehad. Eiser heeft immers op het aanvraagformulier correct aangegeven dat hij een aantal jaren in het buitenland heeft gewerkt.
6.2
Ook is tussen partijen niet in geschil dat eiser niet redelijkerwijs kon begrijpen dat het toekenningsbesluit onjuist was en hij teveel aan AOW-pensioen ontving. In het bestreden besluit staat immers “Wij gaan er dan namelijk van uit dat u onze fout niet had kunnen onderkennen.” Ter zitting heeft eiser bovendien bevestigd dat hij de tekst “Dit is het maximale AOW-pensioen.” in het toekenningsbesluit als gevolg van zijn eerdere telefoongesprek zo begreep dat het ging om het maximale AOW-pensioen voor hem, dus waar de besproken korting al vanaf was gehaald.
6.3
Op basis van deze omstandigheden heeft de Svb het AOW-pensioen van eiser zonder terugwerkende kracht verlaagd. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de Svb in het geval van eiser in zijn geheel van herziening van het AOW-pensioen had moeten afzien.
6.4
Allereerst merkt de rechtbank op dat de beleidsregels niet voorzien in de mogelijkheid tot het geheel achterwege blijven van herziening. De beleidsregels zien alleen op het al dan niet met “terugwerkende kracht” herzien, met als gevolg dat er altijd een mate van herziening plaatsvindt. Dat is volgens de AOW en de Memorie van Toelichting wel het uitgangspunt, maar daar moet ook in zijn geheel van afgeweken kunnen worden in het geval dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daar aanleiding toe geven.
6.5
Immers, blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 17a, eerste lid en onder b, van de AOW kan op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur het toekenningsbesluit op basis van dit artikel alleen worden herzien in het geval dat de betrokkene redelijkerwijs kon begrijpen dat hij teveel of ten onrechte ouderdomspensioen ontving. Dit was eerst uitdrukkelijk opgenomen in de wet, maar is er met de wetswijziging uitgehaald en is, volgens de Memorie van Toelichting, nog steeds van toepassing als onderdeel van de toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Op basis hiervan constateert de rechtbank dat in het geval dat de betrokkene dus niet redelijkerwijs kon begrijpen dat hij een te hoog bedrag aan of ten onrechte ouderdomspensioen ontving, de Svb op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in zijn geheel niet kan overgaan tot herziening.
6.6
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de Svb in dit geval het voorgaande heeft toegepast. Zoals onder 6.2 overwogen staat tussen partijen niet ter discussie dat eiser niet redelijkerwijs kon begrijpen dat het toekenningsbesluit onjuist was en hij teveel aan AOW-pensioen ontving. Door te stellen – in de beleidsregels – dat altijd wordt herzien en dat alleen kan worden afgezien van herziening met terugwerkende kracht, miskent de Svb naar het oordeel van de rechtbank dat er in gevallen zoals die van eiser ruimte moet zijn om volledig af te zien van terugvordering.
6.7
Naar het oordeel van de rechtbank had de Svb dan ook, op basis van de AOW, de Memorie van Toelichting en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in samenhang met de concrete omstandigheden in dit geval, waarin de fout geheel aan de zijde van de Svb ligt, de Svb ook toegeeft dat eiser deze fout niet redelijkerwijs kon begrijpen en dat die fout al bijna 20 jaar geleden was gemaakt, geheel van herziening behoren af te zien.
Conclusie
7.1
Uit het voorgaande volgt dat de Svb onterecht is overgegaan tot verlaging van het AOW-pensioen van eiser. Daarom slaagt het beroep. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Aangezien de rechtbank van oordeel is dat de Svb van herziening had moeten afzien is er slechts één uitkomst mogelijk, daarom zal de rechtbank zelf voorzien door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat de herziening geen stand houdt.
7.2
Er is aanleiding om de Svb te veroordelen in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep. Deze kosten worden begroot € 647,- in bezwaar (1 punt voor bezwaarschrift met een waarde per punt van € 647,-). Verder is niet gebleken van kosten van rechtsbijstand die voor vergoeding in aanmerking komen. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht in beroep terug.
Dictum
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 25 mei 2023;
herroept het besluit van 9 maart 2023 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 25 mei 2023;
veroordeelt de Svb in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 647,-; en
draagt de Svb op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.T.H. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, blz. 52 en 53.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.
Kamerstukken II, 1994/95, 23 909, nr. 3, blz. 52.