Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:13218
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,860 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29013 en NL25.28875
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.A.F.J. Smeulders).
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2025 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Bij afzonderlijk besluit van 3 juni 2025 (bestreden besluit 2) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de maatregel van bewaring op 13 juni 2025 opgeheven, omdat eiser op die dag met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is vertrokken naar Oezbekistan.
Eiser heeft op 1 juli 2025 tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beroep tegen bestreden besluit 1 (NL25.29013)
1. Eiser voert aan dat verweerder zijn onderzoeksplicht en daarmee het verdedigingsbeginsel heeft geschonden, omdat hij niet heeft gevraagd naar de werkzaamheden die eiser in Nederland wil verrichten. Daarnaast heeft eiser de vraag over zijn zakelijke belangen niet goed begrepen en heeft verweerder nagelaten om hier verder over door te vragen. Aangezien bij de oplegging van het inreisverbod geen rekening is gehouden met de zakelijke belangen van eiser, is daarmee tevens het motiveringsbeginsel geschonden, zo stelt eiser.
1.1.
De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de oplegging van het inreisverbod blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij zakelijke belangen in Nederland of Europa heeft. Eiser heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het proces-verbaal bevat geen aanwijzingen dat eiser deze vraag niet heeft begrepen. Verder is aan eiser gevraagd of er overige redenen of bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan afgezien zou moeten worden van oplegging van een inreisverbod. Ook deze vraag heeft eiser ontkennend beantwoord. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser onvoldoende heeft bevraagd over zijn zakelijke belangen en bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat verweerder op dit punt een specifieke motivering had moeten opnemen in het bestreden besluit 1. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel is geen sprake. De onder 1. weergegeven enige beroepsgrond tegen het inreisverbod slaagt niet.
1.2.
Het beroep tegen het bestreden besluit 1 is gezien het voorgaande ongegrond.
Beroep tegen bestreden besluit 2 (NL25.28875)
Inleiding
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan (op 13 juni 2025) onrechtmatig is geweest.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat er een lichter middel had moeten worden toegepast. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling aangegeven naar Oezbekistan terug te willen keren en heeft zich dus meewerkend opgesteld. Dit blijkt ook uit het feit dat eiser met hulp van de IOM is teruggekeerd naar Oezbekistan.
3.1.
Gelet op de niet bestreden zware gronden 3b en 3c en de niet bestreden lichte gronden 4a, 4c en 4d, die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, en op de omstandigheden genoemd in de toelichting op die gronden, en meer specifiek op de omstandigheden dat eiser niet heeft voldaan aan zijn (uit het besluit van 17 maart 2025 voortvloeiende) verplichting om Nederland te verlaten, geen melding heeft gemaakt van zijn illegaal verblijf bij de autoriteiten, niet in het bezit is van een geldig identiteitsdocument, geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, uit welke gronden en omstandigheden tezamen een fors risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De stelling van eiser dat hij bereid was om mee te werken aan terugkeer, acht de rechtbank, in het licht van voormelde gronden en omstandigheden en nu eiser ten tijde van de oplegging van de maatregel niet de beschikking had over een reisticket en evenmin over voldoende middelen om een reisticket te kopen, onvoldoende om te oordelen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. De beroepsgrond dat een lichter middel moest worden toegepast, slaagt gezien het voorgaande niet.
Conclusie
4. Uit het voorgaande volgt dat de enige beroepsgrond van eiser niet leidt tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Conclusie
6. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 (inreisverbod) ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring) ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.