Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:13130
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,253 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.26591
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).
Procesverloop
De minister heeft op 25 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 13 mei 2025 (in de zaak NL25.19449) volgt dat de maatregel
van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Over hetgeen eiser heeft aangevoerd, wat erop neerkomt dat de bewaring volgens hem onrechtmatig voortduurt, overweegt de rechtbank als volgt.
5. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat het onderzoek bij de Nigeriaanse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig naar de stand van zaken met betrekking tot de afgifte van een laissez passer (lp) bij deze autoriteiten, laatstelijk op 12 juni 2025. Eiser zou op 5 juni 2025 in persoon gepresenteerd worden bij de Nigeriaanse autoriteiten. Eiser is niet verschenen op deze presentatie. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in de gelegenheid dient te worden gesteld om het lp traject bij de Nigeriaanse autoriteiten af te wachten, te meer omdat niet gebleken is dat deze autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daarnaast heeft de minister op 27 mei 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Uit het verslag van dit vertrekgesprek blijkt dat eiser te kennen heeft gegeven niet mee zullen werken aan zijn terugkeer naar Nigeria. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiser die medewerking verleent, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van relevante documenten. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die – gelet op de duur van
deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 juni 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.