Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-18
ECLI:NL:RBDHA:2025:12675
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
862 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14024
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Bij besluit van 25 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H.Rida. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
In zaken waarbij kinderen zijn betrokken moet het belang van het kind voorop staan. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken over artikel 6 en artikel 17 Dublinverordering duidelijk gemaakt dat bij het scheiden van ouders en kinderen goed moet worden gekeken wat dit betekent voor het kind. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was het kind van eiser nog niet geboren. Nu de rechtbank ex nunc dient te toetsen, moet met het geboren kind rekening worden gehouden. Daarbij betrekt de rechtbank dat de gestelde gezinsrelatie tussen eiser en zijn kind mogelijk wordt onderbouwd door een DNA-test, zoals ter zitting aangegeven door eiser. Verweerder dient in het nieuw te nemen besluit hierover een standpunt in te nemen. Gelet hierop is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2025 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van K. El Mahsini, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.