Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-25
ECLI:NL:RBDHA:2025:12660
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,269 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: en NL24.52282
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
gemachtigde: mr. R.S. Frickus,
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 november 2024 niet in behandeling genomen omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep. Dit is ingegeven door de aan de rechtbank gestuurde brief van verweerder van 29 januari 2025, waarin wordt verwezen naar een bijlage met daarin een melding van het Centraal Orgaan opvang Asielzoeker. Uit deze melding blijkt dat eiser op 19 december 2024 met onbekende bestemming is vertrokken.
3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit komt er in de praktijk op neer dat de gemachtigde weet dat haar cliënt nog in Nederland verblijft, waar haar cliënt verblijft en dat de gemachtigde met de vreemdeling contact heeft gehad over de verder voortgang van de procedure en de keuzes die in dat kader gemaakt moeten worden.
4. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 11 februari 2025 verzocht om aan te geven of de gemachtigde van eiser nog contact onderhoudt met eiser en om aan te geven of er nog procesbelang bestaat. Bij schrijven van 14 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank laten weten dat zij al enige tijd geen contact meer heeft met haar cliënt en dat het goed zou kunnen dat hij met onbekende bestemming is vertrokken.
5. De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de MOB-melding, het niet verschijnen van eiser ter zitting en vanwege het feit dat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven sinds enige tijd geen contact meer te hebben met eiser - uit de houding van eiser moet worden afgeleid dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft daarmee geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Vanwege het ontbreken van dit procesbelang zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard worden.
Conclusie
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
7. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. El Mahsini, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL: RVS:2019:579 en van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.