Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:1264
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,251 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.45511
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn - op 9 september 2024 ingediende - asielaanvraag. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 november 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet op de zitting verschenen.
1.2.
De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen de melding dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken in het digitale systeem te plaatsen. Daarnaast is met partijen op de zitting afgesproken dat de rechtbank het onderzoek na ontvangst daarvan zal sluiten. De minister heeft op 27 januari 2025 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens op 29 januari 2025 het onderzoek gesloten.
Beoordeling
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
3. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser op de vraag waarom eiser niet naar de zitting is gekomen geantwoord dat eiser niet meer reageert op WhatsApp-berichten, dat hij niet weet waar eiser momenteel verblijft en dat hij geen contact meer met hem heeft. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting aangegeven dat uit het IND-systeem blijkt dat het COa heeft doorgegeven dat eiser op 17 december 2024 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister deze gegevens uit het IND-systeem laten zien en op 27 januari 2025 is daarvan een afschrift in het digitale dossier gezet. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting aangegeven dat hij het aan de rechtbank overlaat om een oordeel te geven over het procesbelang.
4. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is anders als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure.
5. Uit de door de minister overgelegde bijlage blijkt dat het COa heeft doorgegeven dat eiser sinds 17 december 2024 uit de opvang is gegaan en met onbekende bestemming is vertrokken. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser op de zitting aangegeven daarna geen contact meer met eiser te hebben gehad en niet te weten waar hij verblijft. Bij deze stand van zaken neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem verzochte bescherming en op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ervoor heeft gekozen om geen contact te houden met zijn gemachtigde over de voortgang van de beroepsprocedure. Verder is het de rechtbank ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).