Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-01
ECLI:NL:RBDHA:2025:12553
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,062 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.18207
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster]
, V-nummer: [V-nummer], verzoekster (gemachtigde: mr. S. Fattah),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij de beslissing van de minister op haar bezwaar tegen het besluit van de minister van 4 april 2025 in Nederland mag afwachten.
Overwegingen
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet tijdig betaald, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk zal behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:82, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.
Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk behandelt. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
De griffier van de rechtbank heeft verzoekster op 23 april 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat zij het griffierecht binnen twee weken, dus uiterlijk op
7 mei 2025, moet betalen aan de rechtbank. In die brief staat ook dat als verzoekster het
griffierecht niet of niet op tijd betaald, de voorzieningenrechter het verzoek niet- ontvankelijk kan verklaren. De rechtbank heeft de brief als onbestelbaar retour ontvangen. Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank, om te voldoen aan artikel 8:38 van de Awb, de brief op 1 mei 2025 nogmaals per gewone post verstuurd. De griffier heeft daarbij vermeld dat geen nieuwe termijn wordt gegeven voor het betalen van het griffierecht. Dat betekent dat 7 mei 2025 de laatste dag was om het griffierecht op tijd te betalen.
5. De rechtbank heeft het bedrag op 15 mei 2025 ontvangen. De rechtbank heeft het bedrag dus niet op tijd ontvangen. Verzoekster heeft daar geen geldige reden voor gegeven.
6. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk zal behandelen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
8. Omdat verzoekster het griffierecht wel heeft betaald, maar te laat, zal dit aan haar worden terugbetaald.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet- ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
M.M. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 juli 2025
Mr. I. Helmich M.M. Mulder
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.