Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:12548
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,926 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.8960 en NL25.8961
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [V-nummer] , eiser en
[eiseres] , V-nummer [V-nummer] , eiseres (samen: eisers) (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: G. Cambier).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de (herhaalde) asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe aan dat het bij de asielaanvraag van eiser overgelegde rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (hierna: iMMO) van 14 maart 2023 de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser uit 2012 alsnog bevestigt. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte voorbij is gegaan aan de conclusies uit het iMMO-rapport. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eisers hebben op 8 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eisers stellen van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1956 respectievelijk [geboortedatum 2] 1959. De minister heeft met de bestreden besluiten van 18 februari 2025 de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, A. Jolak als tolk en de gemachtigde van de minister. Ook aanwezig waren de door eiser meegebrachte deskundigen [A] en [B] namens het iMMO.
Beoordeling
Zaaknummer: NL25.8960 (eiser)
Eerste asielaanvraag
6. Eiser heeft eerder op 2 februari 2012 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij die aanvraag heeft eiser verklaard dat hij in 1989 vanuit Irak naar Rusland is gevlucht. Eiser heeft van 1989 tot 2012 in Rusland gewoond. Eiser is in 2012 gevlucht uit Rusland omdat er problemen ontstonden met de schoonfamilie van de zoon van eiser. Eiser heeft verklaard dat hij ontvoerd werd door de politie en daarbij is mishandeld.
7. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 25 mei 2012 afgewezen omdat hij het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig achtte. Deze afwijzing van de asielaanvraag is in rechte vast komen te staan met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 januari 2013 (zaaknummers: AWB 12/21598 en AWB 12/21599), die in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 10 december 2013 is bevestigd (zaaknummer: 201 301 554/1/V1).
Huidige procedure
8. Op 8 mei 2023 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend en daarbij als, volgens eiser, nieuw element een rapport van het iMMO overgelegd. In het bestreden besluit heeft de minister die aanvraag kennelijk ongegrond verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het iMMO-rapport bevestigt niet alsnog de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De minister heeft de nieuwe asielaanvraag afgewezen onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 25 mei 2012 en heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.
Is sprake van relevante nieuwe elementen of bevindingen?
iMMO-rapport
9. In het A-onderdeel van het iMMO-rapport van 14 maart 2023 wordt geconcludeerd dat de medische problematiek van eiser (de lichamelijke en psychische problematiek) gezamenlijk als typerend wordt beoordeeld voor het gestelde ondergane geweld dat ten grondslag ligt aan het asielrelaas. In het B-onderdeel van het iMMO-rapport wordt geconcludeerd dat de geconstateerde psychische problematiek van eiser beperkingen kan hebben gegeven die ten tijde van de asielgehoren zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent verklaren over het asielrelaas.
Gronden beroep
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het iMMO-rapport een nieuw element is dat alsnog de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas bevestigt. De minister heeft de conclusies uit het iMMO-rapport ten onrechte niet betrokken bij zijn beoordeling, nu het iMMO- rapport een deskundigenrapport is dat inzichtelijk en concludent is. Het rapport maakt inzichtelijk hoe de conclusies tot stand zijn gekomen en in het rapport staat vermeld welke dossierstukken gebruikt zijn. Alleen met betrekking tot de conclusies over het vermogen van eiser om tijdens zijn eerste asielprocedure consistent en gedetailleerd te verklaren (het B- onderdeel) stelt de minister dat het iMMO-rapport onvoldoende inzichtelijk zou zijn, maar ook op dit punt voldoet het rapport aan de inzichtelijkheidseisen die in de jurisprudentie zijn gesteld. Het iMMO-rapport is daarmee ook op dit punt een deskundigenrapport waarvan de conclusie alleen kan worden bestreden door het overleggen van een contra-expertise.
Aangezien de minister dit niet gedaan heeft, moet volgens eiser van de juistheid van het iMMO-rapport worden uitgegaan. In dit verband verwijst eiser naar uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2084 en ECLI:NL:RVS:2018:2085) en van 13 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4620) waarin is geoordeeld dat de minister (toen: staatssecretaris) niet aan het antwoord op de B-vraag in een IMMO-rapport voorbij mocht gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen en zonder nader te motiveren waarom hij het asielrelaas, ondanks die conclusie, toch ongeloofwaardig acht.
11. Eiser verwijst verder naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 maart 2010 (R.C. tegen Zweden, zaaknummer 41827/07, JV 2010/147) en van 19 september 2013 (R.J. tegen Frankrijk, 10466/11, JV 2013/375) waaruit volgens eiser volgt dat een conclusie zoals die in het A-onderdeel van het onderhavige rapport is gegeven, waarbij de klachten als “typerend” zijn gekwalificeerd, een sterke aanwijzing is dat eiser onmenselijk is behandeld en dat zijn uitzetting niet verenigbaar is met artikel 3 van het EVRM. Eiser stelt dat het dan aan de minister is om alle twijfel over de verenigbaarheid van uitzetting met artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Een enkele bevinding van de minister dat sprake is van ongeloofwaardige, onsamenhangende of vage verklaringen, is daarvoor niet voldoende. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat, nu de asielaanvraag van eiser enkel is afgewezen op de grond dat sprake zou zijn van vage en summiere verklaringen, de minister niet heeft voldaan aan de bewijslast die hij ingevolge de genoemde arresten van het EHRM heeft. Nu de minister niet alle twijfels over de verenigbaarheid van uitzetting met artikel 3 van het EVRM heeft weggenomen, moet worden aangenomen dat uitzetting van eiser strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM. De minister had op zijn minst beter, nader onderzoek moeten doen.
Oordeel rechtbank
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte zonder nader (medisch) onderzoek voorbij is gegaan aan de conclusies uit het iMMO-rapport. De rechtbank is met de minister van oordeel dat het iMMO-rapport voor wat betreft het B- onderdeel niet voldoende inzichtelijk is en dat het gestelde in het A-onderdeel onvoldoende is om afbreuk te doen aan de conclusie dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.
B-onderdeel
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan de conclusie uit het B-onderdeel in het iMMO-rapport voorbij heeft mogen gaan en daarom bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas mocht uitgaan van wat eiser tijdens de gehoren in de asielprocedure in 2012 heeft verklaard. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1472) waarin, mede op basis van de bevindingen van een onafhankelijke deskundige, is geoordeeld dat het iMMO bij de beantwoording van de B-vraag in het rapport onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat de daarin opgenomen conclusie gebaseerd is op een op de individuele vreemdeling toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. De Afdeling oordeelde als volgt:
11.1.
De Afdeling is van oordeel dat het antwoord van het iMMO op de B-vraag niet logisch voortvloeit uit de redenering in het rapport. Die redenering is onvoldoende toegespitst op de individuele situatie van de vreemdeling. Hoewel het iMMO in zijn rapport beschrijft welke medische klachten de vreemdeling had tijdens de asielgehoren, maakt het iMMO niet inzichtelijk waarom en in hoeverre deze klachten bij deze vreemdeling ook hebben geleid tot een geheugenstoornis en evenmin waarom deze in zijn geval zouden hebben geleid tot een interferentie met zijn vermogen om compleet, coherent en consistent over zijn asielrelaas te verklaren. Zoals hiervoor onder 7.1 tot en met 7.4 en 8 uiteengezet, volstaat de diagnostisering met PTSS daarvoor niet, aangezien de invloed van PTSS (of een soortgelijke aan trauma gerelateerde stoornis) op het geheugen per persoon verschilt. Gelet hierop had het iMMO-rapport nader inzicht moeten verschaffen op basis van welke bevindingen het iMMO tot zijn conclusie is gekomen en hoe en in welke mate de medische problematiek van de vreemdeling in concreto de werking van zijn geheugen, dan wel delen daarvan, heeft beïnvloed.
Conclusie
17. De minister heeft de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van de proceskosten of van de gemaakte kosten voor het onderzoek.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.