Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2025:1235
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
926 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48195 (rectificatie)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , v-nummer: [nummer] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2024 waarin de minister de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf bij gezinslid, met vrijstelling van het mvv-vereiste in het kader van artikel 8 van het EVRM’ heeft afgewezen. Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit bezwaar is gemaakt en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft aan verzoekster medegedeeld dat zij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten en dient terug te keren naar Irak. Verzoekster heeft daarom spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
4. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoekster gedurende de behandeling van het bezwaar Nederland niet hoeft te verlaten. De minister heeft op 31 december 2024 aan de rechtbank meegedeeld zich niet te verzetten tegen een toewijzing van een voorlopige voorziening voor zover dit ziet op het niet uitzetten van verzoekster totdat er een beslissing is genomen op het bezwaar. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat de uitzetting achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist. Dat betekent dat het besluit van 2 december 2024 wordt geschorst en verzoekster gedurende de bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907 omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend, waarvoor gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht 1 punt wordt toegekend. Ook moet de minister het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van verzoekster achterwege blijft totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt de minister tot betaling van € 907 aan proceskosten van verzoekster;
bepaalt dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.
Dat staat in artikel 8:81 van de Awb.