Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-27
ECLI:NL:RBDHA:2025:11915
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,848 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2417
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.E.M. Later),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Onder 4 staat het procesverloop in dit geding. Onder 5 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
4. Eiser heeft op 16 februari 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser is van Turkse nationaliteit en hij is geboren op [geboortedatum] 1981. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 januari 2025 deze aanvraag in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond.
4.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Cordes als tolk en de gemachtigde van de minister.
1 Vreemdelingenwet 2000
Beoordeling
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft een andere opvatting over de islam dan zijn familie en de Turkse maatschappij. Bij terugkeer in Turkije in 2014 eiste de radicale familie van eiser dat hij zich zou laten besnijden om te kunnen trouwen. Eiser heeft dit geweigerd. Uit angst voor geweld is eiser naar Istanbul gevlucht, waar hij vervolgens ongeveer tien jaar verbleef. Toen zijn familie eiser daar vond, vluchtte eiser opnieuw, ditmaal binnen Istanbul. Enkele maanden heeft eiser Turkije verlaten vanwege deze dreiging. Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar Turkije vanwege zijn familie en daarnaast is eiser, na afloop van zijn asielprocedure, met een Nederlandse vrouw (traditioneel) gehuwd.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Eigen opvattingen over de Islam;
3. Gedwongen besnijdenis door familie en de daaruit voortvloeiende problemen
De minister hanteert de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst en acht de eigen opvattingen van eiser over de islam geloofwaardig. De gedwongen besnijdenis en de daaruit voortvloeiende problemen worden ongeloofwaardig geacht. Het enkele feit dat eiser afkomstig is uit Turkije en de eigen opvattingen van eiser over de islam leiden er volgens de minister niet toe dat eiser als vluchteling moet worden aangemerkt of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht als ongegrond is afgewezen en dat aan eiser terecht een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning.
Gronden van beroep en beoordeling daarvan
7. Eiser heeft diverse gronden van beroep aangevoerd. Eiser stelt dat hij ten onrechte als overlastgevende asielzoeker is aangemerkt en dat zijn asielprocedure onzorgvuldig is verlopen. Ook voert eiser aan dat zijn asielrelaas over de (dreigende) besnijdenis onzorgvuldig is beoordeeld door de minister en dat de beoordeling van de minister op basis van artikel 8 EVRM eveneens onzorgvuldig is.
Omvang van het beroep
7.1
Ter zitting is duidelijk geworden dat de rechtbank zich in haar beoordeling kan beperken tot de vraag of de minister de geloofwaardigheid van de besnijdenis juist heeft beoordeeld en of de minister een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 8 EVRM. De rechtbank zal deze vragen beantwoorden aan de hand van de beroepsgronden.
Vrees voor (dreigende) besnijdenis
8. Eiser voert in beroep aan dat de minister zijn asielrelaas over de (dreigende) besnijdenis onzorgvuldig heeft beoordeeld. Eiser wijst ter toelichting op deze onzorgvuldige beoordeling op een nieuwsartikel uit dagblad De Pers uit 2011 met daarin landeninformatie. In het artikel wordt beschreven hoe besnijdenis in Turkije in zijn werk gaat en hoe de visie van de Turkse maatschappij en overheid hierop is. De minister had op dit punt nader onderzoek moeten doen. Eiser stelt ook niet aan besnijdenis te kunnen ontkomen als hij wil (kunnen) trouwen. Eiser keert zich door zijn opvattingen over (onder andere) besnijdenis tegen de heersende mening onder Turkse, soennitische moslims en de Turkse overheid.
8.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister de verklaringen van eiser over de (dreigende) besnijdenis ongeloofwaardig en onlogisch mocht vinden. Hierbij mocht de minister betrekken dat eiser verklaart uit een familie te stammen die radicaal gelovig2 is, maar dat eiser altijd aan besnijdenis heeft weten te ontkomen. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het ontkomen aan besnijdenis niet te rijmen valt met de stelling van eiser dat zijn familie een radicale (geloofs)overtuiging heeft, gelet op de (gestelde) culturele en religieuze betekenis die aan deze ingreep wordt toegekend. Hierbij mocht de minister het eveneens ongerijmd vinden dat eiser verklaart dat zijn broertje, na terugkomst uit school op ongeveer zeventien of achttienjarige leeftijd, wel besneden is, terwijl eiser zelf geen besnijdenis heeft ondergaan.3 De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het onlogisch is, gelet op de verklaringen over het ontlopen van de besnijdenis, dat dit pas weer ter sprake is gekomen toen eiser 33 jaar oud was. Dit is opmerkelijk omdat eiser stelt dat besnijdenis essentieel is voor het huwelijk binnen de cultuur en de gemeenschap, waardoor niet te volgen is waarom eiser pas op latere leeftijd onder druk is gezet om zich te laten besnijden. Eiser is volwassen en niet valt in te zien dat hij gehouden is om de wensen van zijn familie op te volgen. Hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast kon de minister meewegen dat eiser zelf heeft verklaard dat jongens tot maximaal zestien jaar worden besneden4 en dat algemene landeninformatie5 deze verklaring van eiser bevestigt. Om deze reden mocht de minister afzien het doen van nader onderzoek.
8.2
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn opvattingen over de islam en/of besnijdenis afwijken van de visie van de Turkse overheid hierop en eiser om die reden gevaar loopt en/of geen bescherming kan krijgen, is de rechtbank van oordeel dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat het aan eiser is om aannemelijk te maken waarom hij het risico loopt op vervolging wegens zijn persoonlijke opvattingen. Voor zover eiser heeft verwezen naar het document ‘2023 Report on International Religious Freedom’ heeft de minister terecht opgemerkt dat uit dit document volgt dat er in Turkije in principe sprake is van vrijheid van religie en overtuiging.6 De rechtbank stelt vast dat dit ook volgt uit de Turkse grondwet die expliciet de vrijheid van religie en overtuiging garandeert en discriminatie op religieuze gronden verbiedt.7 Het is dan een eiser om aan te tonen waarom deze vrijheden in zijn situatie niet van toepassing is en waarom hij het risico loopt op vervolging en/of geen bescherming kan krijgen. De minister mocht concluderen dat het citeren van algemene teksten over de situatie in Turkije waarbij er geen vrijheid van religie of overtuiging was onvoldoende is om aan te tonen dat eiser persoonlijk het slachtoffer zou kunnen worden van een mogelijke vervolging. Voor zover eiser ter zitting heeft verwezen naar het recente Algemeen Ambtsbericht8 over Turkije, waarin onder andere is opgenomen dat het soennisme het openbare leven domineert, het Turkse burgerschapsideaal is gericht op het Turks en soennitisch zijn en waarbij etnische en religieuze minderheden die afwijken van deze norm problemen kunnen ondervinden, is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee onvoldoende aannemelijk maakt dat hijzelf problemen zal ondervinden. Dit blijkt ook uit de eigen verklaringen van eiser dat hij geen concrete problemen heeft ervaren9 vanwege zijn afwijkende opvattingen over de islam. Hierbij heeft de minister niet ten onrechte betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij zich niet openlijk uitspreekt over zijn opvattingen en dat hij terughoudend is in het delen van zijn overtuigingen. Er is daarmee niet gebleken van een behoefte of drang van eiser is om zijn overtuigingen publiekelijk te delen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
2 rapport Nader gehoor, pagina 13.
3 rapport Nader gehoor, pagina 14.
4 rapport Nader gehoor, pagina 13.
5 Attitudes and practices regarding circumcision in Turkey – PubMed en Besnijdenis - NEMO Kennislink.
6 International Religious Freedom Report Turkije (annual report 2023), pagina 1.
7 Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025), pagina 67.
8 Algemeen Ambtsbericht Turkije (februari 2025), pagina 67.
Artikel 8 EVRM
9.
Conclusie
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.