Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:11881
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,073 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27549
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. S. Jankie),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Inleiding
1. De minister heeft op 22 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en onder b, van de Vw opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op vrijdag 4 juli 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser was niet op de zitting aanwezig. Gebleken is dat hij in het Justitieel Complex Schiphol verblijft. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling
2. Gelet op artikel 94, vierde lid, van de Vw, moet een vreemdeling op de veertiende dag na de ontvangst van het beroepschrift worden gehoord. Het beroepschrift is op 22 juni 2025 ingediend en ontvangen. De termijn voor het horen op zitting eindigt daarom op zondag 6 juli 2025.
3. Op de zitting is gebleken dat eiser niet verblijft in het detentiecentrum Rotterdam, de locatie waar door de rechtbank een telehoorverbinding mee was gelegd. De gemachtigde van eiser was wel op het detentiecentrum in Rotterdam aanwezig. Zoals opgenomen in het procesverloop, verblijft eiser in het Justitieel Complex Schiphol. De rechtbank heeft de mogelijkheden voor het gelijktijdig realiseren van een telehoorverbinding met Rotterdam en Schiphol onderzocht. Dit is echter niet mogelijk gebleken. Dit ligt naar het oordeel van de rechtbank buiten de risicosfeer van eiser. Het staat dan ook vast dat de termijn voor het horen van eiser, niet gehaald kan worden. Dit omdat het niet mogelijk is om eiser gedurende het weekend alsnog te horen. Hieruit volgt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag onrechtmatig moet worden geacht.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel op een eerder moment dan vandaag opgeheven had moeten worden. Zowel de door eiser aangevoerde schriftelijke gronden als de ambtshalve toets leidt niet tot de conclusie dat de maatregel tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het toekennen van een schadevergoeding.
5. De rechtbank veroordeelt de minister wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.