Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2025:11764
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,768 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17270
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. C.D.G. van IJzendoorn).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe aan dat de minister het gestelde atheïsme ten onrechte ongeloofwaardig acht en dat de minister geen inreisverbod had mogen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
2. Met het bestreden besluit van 7 april 2025 heeft de minister de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met NL25.17271, op 26 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – samengevat – ten grondslag dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij bekeerd is tot het atheïsme en dat hij problemen heeft door zijn leefstijl.
3.1.
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- bekering tot het atheïsme;
- problemen door de leefstijl.
De minister acht de asielmotieven identiteit, nationaliteit en herkomst en problemen door de leefstijl geloofwaardig. De bekering tot het atheïsme acht de minister ongeloofwaardig. Daarbij is voor de minister van belang dat eiser niet kan uitleggen wat maakt dat hij atheïst is en niet gewoon iemand die niet gelovig is. Nergens blijkt uit wat maakt dat eiser atheïst is. Van eiser mag worden verwacht dat hij meer kan vertellen over het atheïsme en inkijk geeft over hoe hij tot de conclusie is gekomen dat hij atheïst is. De geloofwaardig bevonden asielmotieven leveren volgens de minister bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging op.
Beoordeling
Acht de minister ten onrechte ongeloofwaardig dat eiser is bekeerd tot het atheïsme?
4. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser niet geloofwaardig heeft verklaard over het atheïsme omdat hij het verschil niet kent tussen de verschillende vormen atheïsme. Eiser betoogt dat van iemand die overstapt van het ene naar het ander geloof verlangd mag worden dat hij in staat is de verschillen te benoemen en uitleg te geven over zijn nieuwe geloof. Van iemand die aangeeft zijn ratio te laten prevaleren en aangeeft niet te geloven in een hogere macht wordt volgens eiser ten onrechte eenzelfde besluitvormingsproces verlangd. Ook stelt de minister ten onrechte dat satanisme niets met atheïsme te maken heeft. Volgens eiser is het wel degelijk mogelijk om via black metal, een satanistische muziekvorm, tot de ontdekking te komen dat je atheïst bent en heeft hij hierover niet tegenstrijdig verklaard.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat atheïsme een te beschermen godsdienstige overtuiging betreft. De vrijheid van godsdienst omvat ook het recht om geen godsdienst aan te hangen. De rechtbank verstaat, in lijn met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), onder atheïsme de ontkenning van het bestaan van een god of opperwezen. Aan de motieven voor en het proces van het overgaan tot atheïsme hecht de minister terecht grote waarde.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd waarom hij niet geloofwaardig acht dat eiser is bekeerd tot het atheïsme. De minister heeft daartoe terecht overwogen dat eiser geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang over de gestelde bekering tot het atheïsme en dat eisers verklaringen daarover vaag en summier zijn. Eiser heeft tijdens het gehoor slechts verklaard dat hij gewoon gelooft dat men per toeval geboren is en tot leven is gekomen en dat hij niet in een andere macht gelooft. Ook weet eiser niet onder woorden te brengen wat atheïsme voor hem inhoudt dan te zeggen dat hij in niets gelooft en dat hij gewoon één leven leeft en dat dat het is. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat van eiser verwacht mag worden, gelet op zijn referentiekader, dat hij meer kan verklaren dan dat hij tijdens het gehoor heeft gedaan. Eiser heeft met zijn verklaringen niet inzichtelijk gemaakt dat hij uit overtuiging het bestaan van een God of opperwezen ontkent en evenmin inzicht gegeven in zijn gedachtegang over de gestelde bekering tot het atheïsme. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen niet dat hij zich verdiept heeft in het atheïsme. De verschillende vormen van atheïsme zeggen hem niets en hij weet daardoor ook niet te benoemen onder welke vorm van het Atheïsme hij zichzelf rekent. De minister stelt zich daarom niet ten onrechte op het standpunt dat eiser met zijn verklaringen geen inkijk heeft gegeven over hoe hij tot de conclusie is gekomen dat hij atheïst is. Van eiser mag hierover een authentiek verhaal worden verwacht nu hij dit aandraagt als asielmotief. De minister heeft zich deugdelijk op het standpunt gesteld dat eiser daar niet aan heeft voldaan.
4.2.1.
De rechtbank is overigens wel van oordeel dat de minister eiser ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het verband tussen black metal muziek en atheïsme. De rechtbank stelt vast dat in het voornemen staat vermeld dat black metal een muziekvorm is die satanistisch is en dat deze muziekvorm ‘dus’ geen verband heeft met het atheïsme van eiser. Eiser verwijst in dit verband echter naar openbare bronnen over modern satanisme dat een vorm van atheïstische mensverering betreft. Eiser heeft in het gehoor aanmeldfase wel verklaard dat het verband tussen black metal muziek en atheïsme niet echt groot is, omdat black metal in satanisme gelooft. Maar op de vraag van de minister of eiser bekende mensen kent die hebben bijgedragen aan het atheïsme en de wetenschap, antwoordt eiser dat dit muzikanten zijn. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat de minister ten onrechte zijn verklaringen op dit punt tegenstrijdig heeft geacht. Eiser heeft immers enig verband gelegd tussen black metal muziek en zijn bekering, en satanisme en atheïsme sluiten elkaar niet volledig uit.
4.2.2.
Dit oordeel leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep, nu de minister, gelet op overweging 4.2. reeds voldoende heeft onderbouwd waarom zij de bekering tot het atheïsme niet ten onrechte ongeloofwaardig acht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser te vrezen voor problemen bij terugkeer door zijn levensstijl?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij bij terugkeer naar Marokko niet te vrezen heeft. Eiser voert hiertoe aan dat hij in Marokko zijn hobby’s en muziek niet kan uitoefenen en dat hij niet de kleding dan dragen die hij leuk vindt. Eiser wil ook in het centrum kunnen wonen en met vrienden kunnen afspreken zonder dat hij wordt bespuugd of aan zijn ring wordt getrokken. Op basis van het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank er van uit dat eiser daarmee heeft bedoeld te wijzen op zijn vrees voor problemen bij terugkeer naar Marokko.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister echter deugdelijk gemotiveerd dat eiser volgens zijn eigen verklaringen tijdens zijn verblijf in Casablanca geen problemen heeft ondervonden en dat niet valt in te zien waarom eiser wel problemen zou ondervinden bij terugkeer. Ook heeft de minister toegelicht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten niet welwillend zijn om hem bescherming te bieden als dat nodig mocht zijn.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte een inreisverbod opgelegd?
6. Eiser betoogt dat het niet proportioneel is dat een inreisverbod is uitgevaardigd. Hiertoe voert hij aan dat hij een studie wil volgen in Nederland. Gelet hierop heeft hij er dan ook belang bij dat aan hem geen inreisverbod wordt opgelegd.
6.1.
De minister heeft op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 terecht een inreisverbod opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de wens om in Nederland een studie te volgen, geen reden is om geen inreisverbod op te leggen. Op dit moment heeft eiser geen lopende aanvraag om hier een studie te volgen. Indien gewenst kan hij een hiervoor bedoelde aanvraag indienen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser verwijst naar pagina’s op wikipedia over black metal en satanisme.
ABRvS 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93.
Verslag gehoor aanmeldfase, pagina 9.
Voornemen van 3 april 2025, pagina 4.
[website 1] en [website 2].
Verslag gehoor aanmeldfase, pagina 10.