Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-07-04
ECLI:NL:RBDHA:2025:11666
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,803 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3068
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.M.C. van Hoorn),
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, het college
(gemachtigde: mr. H. Ayoujil).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster], vergunninghoudster.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de aan vergunninghoudster verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het adres [adres] in [plaats] , gemeente [gemeente] .
1.1.
Het college heeft de omgevingsvergunning met het primaire besluit van 1 september 2023 verleend. Met het bestreden besluit van 6 december 2021 is het college in bezwaar bij zijn besluit gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Vergunninghoudster heeft op het beroep gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghoudster, samen met [naam] , architect.
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 11 april 2023 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woning op het perceel [adres] in [plaats] , gemeente [gemeente] , perceelnummer [perceelnummer] . Voor het pand uit 1957 dat daar nu staat, is een sloopvergunning is verleend.
2.1.
Het bouwplan is onder meer in strijd met regels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” met betrekking tot het bouwen van bouwwerken. Met het primaire besluit van 1 september 2023 heeft het college, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning verleend met toepassing van de afwijkmogelijkheid in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdelen 1 en 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
2.2.
Met het bestreden besluit is het primaire besluit gehandhaafd. Over de toegangsweg tot het perceel, die voor 50% eigendom is van eiser en 50% eigendom van een derde, is in het bestreden besluit overwogen dat vergunninghoudster bij de overdracht van haar eigendomsdeel van de weg aan de derde heeft bedongen dat zij gebruik mag blijven maken van de weg, hetgeen in een notariële akte is vastgelegd. Van een door eiser gestelde evidente privaatrechtelijke belemmering is daarom volgens het college geen sprake. Het college heeft daarom in bezwaar besloten dat de voorwaarden die zien op de eigendomsverhouding van de toegangsweg geen deel meer uitmaken van de omgevingsvergunning.
2.3.
Eiser voert in beroep samengevat aan dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan vanwege de overschrijding van het bouwvlak en het maximaal toegestane bouwvolume. Volgens hem is ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van Bijlage II bij het Bor. Verder betoogt eiser dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering voor wat betreft het gebruik van de toegangsweg naar het perceel waarop de woning is voorzien. Hij betwijfelt of het college er terecht van uitgaat dat vergunninghoudster een deel van de toegangsweg kan blijven gebruiken, ondanks het feit dat zij daar geen eigenaar meer van is. Tot slot vreest eiser dat de nieuw te bouwen woning, die zes kamers telt en volgens hem meerdere badkamers heeft, zal worden gebruikt voor het huisvesten van arbeidsmigranten in plaats van een (groot) gezin. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat een combinatie van onderdelen 1 en 9 van artikel 4 van Bijlage II bij het Bor niet mogelijk is omdat het hier gaat om een volledig nieuw te bouwen woning. Beoordeling door de rechtbank
Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 april 2023, blijft de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
Is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering?
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de omstandigheid dat vergunninghoudster de toegangsweg tot het perceel niet meer gedeeltelijk in eigendom heeft, een evidente privaatrechtelijke belemmering vormt die aan het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg staat. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
4.1.
De eigendom en het gebruik van de (mandelige) toegangsweg zijn privaatrechtelijke kwesties. Uit vaste rechtspraak volgt dat niet snel sprake is van een privaatrechtelijke belemmering die in de weg staat aan de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Dat is alleen zo wanneer die belemmering een evident karakter heeft. Er is dan geen ruimte voor twijfel aan het bestaan van de belemmering, die overduidelijk moet zijn. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een bouwplan. Dit is slechts anders als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat realisering van het bouwplan leidt tot een strijd met (zakelijke) rechten en tevens vaststaat dat niet tot opheffing of wijziging van een dergelijke privaatrechtelijke belemmering kan worden overgegaan.
4.2.
Die situatie doet zich hier echter niet voor. Vergunninghoudster heeft het deel van de toegangsweg dat zij in eigendom gehad, geruild tegen een stuk grond van een derde. Daarbij heeft vergunninghoudster bedongen dat zij gebruik kan blijven maken van de toegangsweg. Dat eiser betwijfelt of een dergelijke afspraak zonder zijn betrokkenheid had mogen worden gemaakt, wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op een evidente privaatrechtelijke belemmering. Ook de stelling van eiser dat hij het onderhoud van de toegangsweg altijd voor zijn rekening heeft genomen wijst daar niet op.
Had het college een voorschrift over gebruik van de woning in de omgevingsvergunning moeten opnemen?
5. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het college vanwege het risico van gebruik van de woning voor het huisvesten van arbeidsmigranten of andere kamergewijze verhuur een gebruiksvoorschrift aan de omgevingsvergunning had moeten verbinden. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat vergunninghoudster de woning mogelijk wil verhuren biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De omvang van de woning met zes slaapkamers en meerdere badkamers biedt daarvoor evenmin een aanknopingspunt. Indien op enig moment zou blijken dat de woning wordt gebruikt in strijd met het bestemmingsplan, kan eiser een handhavingsverzoek indienen. Het college heeft in ter zitting opgemerkt dat niet te verwachten valt dat een eventueel met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de woning zoals door eiser gevreesd, in het kader van een handhavingsprocedure zal worden gelegaliseerd.
Heeft het college de juiste voorbereidingsprocedure toegepast?
6.
Conclusie
7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3.10 van de Wabo omdat het college ten onrechte niet de uitgebreide voorbereidingsprocedure heeft gevolgd bij de beslissing op de aanvraag. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen, omdat dit ten onrechte met de reguliere procedure is voorbereid. Dit betekent dat het college opnieuw moet beslissen op de aanvraag van 11 april 2023 en die beslissing moet voorbereiden met de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
8. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.360,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
herroept het primaire besluit van 1 september 2023;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit;
bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
13 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:541.
ECLI:NL:RVS:2020:338.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1218.
Als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo.
Als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2706.