Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:11017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL22.19292 (beroep) en NL22.18200 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
en
de minister van Asiel en Migratie
, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. S. Byeik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank/ voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) op het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 oktober 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 september 2022 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank heeft de zaken op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt in deze procedure of de minister eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is omdat de minister eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling
3. Deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 juli 2024 uiteengezet hoe aanvragen van Turkse zelfstandigen worden beoordeeld. Daarnaast is het vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat de minister mag verlangen dat een Turkse zelfstandige bij zijn aanvraag de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: paragraaf B6/4.5) vereiste stukken overlegt, als de aanvrager daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, voordat hij de aanvraag van een Turkse zelfstandige aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RvO) voor advies voorlegt. In de uitspraak van 6 juli 2023 heeft de Afdeling verduidelijkt dat de rechtbank bij de beoordeling of de minister de aanvraag terecht niet ter advisering aan de RvO heeft voorgelegd geen eigen invulling mag geven aan de wijze waarop de RvO tot zijn advies komt, welke stukken de RvO bij zijn advies betrekt en over welke te onderscheiden onderdelen van het advies deze stukken gaan. Als gevraagde informatie ontbreekt, dan kan de rechtbank de minister niet dwingen om advies te vragen aan de RvO op de grond dat de RvO ook zonder de gevraagde informatie advies kan uitbrengen.
3.1.
De RvO heeft tijdens de zitting in de bovengenoemde zaak toegelicht dat de inhoudelijke beoordeling strikt individueel is. Er kan niet voor bepaalde groepen van zelfstandigen aangegeven worden welke informatie wel en welke informatie niet (of minder) dienstig is aan de beoordeling. De verleende diensten zijn specifiek voor elke aanvrager. Daarom is steeds een individuele beoordeling nodig. Dit verklaart volgens de RvO waarom de door de RvO te beoordelen informatie voldoende concreet en op de specifieke aanvrager toegesneden moet zijn. Verder heeft de RvO benadrukt dat het om een integrale beoordeling op basis van een totaalbeeld gaat. Voor die integrale beoordeling is alle gevraagde informatie noodzakelijk. Omdat het bij het advies uiteindelijk om het totaalbeeld gaat, kunnen relatieve zwaktes van de informatie op één punt wel gecompenseerd worden door andere informatie in het dossier. Bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf kan een relatief zwakke markt- en concurrentieanalyse bijvoorbeeld gecompenseerd worden door informatie over de reeds verleende opdrachten, als daaruit wel een positief beeld van de levensvatbaarheid naar voren komt.
De aanvragen van eiser
4. Eiser drijft sinds [datum] 2018 de eenmanszaak [bedrijf] . Eiser heeft al drie keer eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als zelfstandige bij [bedrijf] ’ ingediend. De minister heeft deze aanvragen afgewezen dan wel buiten behandeling gesteld met de besluiten van 28 februari 2019, 8 april 2020 en 14 januari 2021.
4.1.
Eiser heeft op 21 september 2021 opnieuw een aanvraag ingediend. Hij heeft daarbij een aantal nieuwe stukken overgelegd, waaronder een nieuw ondernemingsplan opgesteld door EMAAN Business Organization daterend van 3 maart 2021.
4.2.
De minister heeft deze laatste aanvraag in het primaire besluit van 27 oktober 2021 afgewezen op de grond dat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Volgens de minister is het ondernemingsplan summier en in algemene bewoordingen opgesteld. Het financiële plan bevat overzichten die onvoldoende gespecificeerd zijn door middel van berekeningen en onvoldoende zijn onderbouwd met objectief verifieerbare bewijsstukken.
4.3.
Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak van 12 januari 2022 het verzoek van eiser toegewezen. In bezwaar heeft eiser opnieuw een aantal nadere stukken overgelegd, waaronder diverse financiële stukken.
4.4.
Met het bestreden besluit heeft de minister de afwijzing van de aanvraag van eiser gehandhaafd. De minister legt hieraan ten grondslag dat eiser, ook met de in bezwaar overgelegde stukken, nog steeds niet alle stukken heeft overgelegd die voor de RvO vereist zijn om advies uit te kunnen brengen over de vraag of eisers onderneming een wezenlijk Nederlands belang dient. In dit verband werpt de minister aan eiser tegen dat weliswaar een nieuw ondernemingsplan is overgelegd, maar dat dit plan onvolledig is en niet voldoende is onderbouwd met stukken. Zo ontbreekt in het ondernemingsplan een gedegen markt- en concurrentieanalyse. Daarnaast heeft eiser zijn vakinhoudelijke expertise onvoldoende inzichtelijk gemaakt.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
5. Zoals de Afdeling heeft overwogen is het uitgangspunt dat de minister een vreemdeling hoort in bezwaar en dat de minister terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. De minister mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
5.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 juli 2023 overwogen dat als een vreemdeling de stukken die worden genoemd in bijlage 8aa niet heeft overgelegd en ook geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet kan beschikken, die vreemdeling heeft nagelaten om essentiële informatie over te leggen, waarvan hij wist of kon weten dat die voor het nemen van een besluit noodzakelijk is. Het ligt voor de minister dan in beginsel minder in de rede dat hij die vreemdeling uitnodigt voor een hoorzitting. Op grond van diezelfde uitspraak kan er niettemin toch reden zijn om eiser te horen indien één of meerdere van de volgende niet-limitatieve en niet-cumulatieve omstandigheden zich voordoet: (1) eiser zou op of vlak na een hoorzitting eenvoudig de ontbrekende informatie kunnen geven, (2) eiser heeft in bezwaar al een mogelijke steekhoudende verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van bepaalde stukken, en (3) er bestaat onduidelijkheid over de waardering van één of meer overgelegde stukken.
5.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat, gelet op de aanvullende bezwaarschriften van eiser van 17 november 2021, 11 februari 2022 en 29 augustus 2022, in dit geval niet is voldaan aan de maatstaf om op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb af te zien van het horen van eiser. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.3.
Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat het ondernemingsplan en de overgelegde stukken voldoende zijn om zijn aanvraag voor te leggen voor advies aan de RvO. Eiser heeft ook in bezwaar toegelicht waarom een meer omvangrijke concurrentieanalyse verder niet haalbaar is voor een eenmanszaak zoals die van eiser. De rechtbank is van oordeel dat eiser met het voorgaande een voldoende verklaring heeft gegeven waarom er op het punt van de markt- en concurrentieanalyse niet meer van hem kan worden verwacht. De rechtbank is van oordeel dat de minister op een hoorzitting eiser hier verder op had kunnen bevragen om tot een gemotiveerde conclusie te kunnen komen of eiser wel of niet redelijkerwijs over deze stukken kan beschikken. Daar komt bij dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 januari 2022 in de bezwaarfase aanleiding had moeten zijn voor de minister om eiser te horen.
Conclusie
6.1.
Omdat op het beroep wordt beslist, hoeft er geen voorlopige voorziening meer te worden getroffen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
Dictum
De rechtbank, inzake NL22.19292:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, inzake NL22.18200:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 368 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10363, r.o. 5.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2603.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1685 en ECLI:NL:RVS:2024:1686.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, heeft het beroep tegen de afwijzing op 13 maart 2020 ongegrond verklaard, zaaknummer AWB 19/710.
De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, heeft het beroep op 14 september 2021 ongegrond verklaard, zaaknummer AMS 21/1340; de Afdeling heeft op 16 juni 2023 in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 januari 2022, zaaknummer NL21.17306.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2557; De Afdeling heeft dit oordeel herhaald in de meer recente uitspraken van 7 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1917 en ECLI:NL:RVS:2024:1918, en 3 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2269.
Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326, r.o. 4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5.2.