Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-02-03
ECLI:NL:RBDHA:2025:11009
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,178 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 24/19236
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 1982, met de Braziliaanse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Verweerder heeft op 25 oktober 2024 geweigerd aan verzoeker een terugkeervisum af te geven. Verzoeker heeft tegen deze weigering bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft hangende dit bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij wordt behandeld als ware hij in het bezit van een terugkeervisum.
1.2.
Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van verzoeker hebben via een digitale verbinding aan de zitting deelgenomen. De gemachtigde van verweerder heeft fysiek deelgenomen.
Beoordeling
Achtergrond en totstandkoming van het besluit
2. Verzoeker had vanaf 21 november 2022 rechtmatig verblijf op tijdelijke humanitaire gronden in het kader van zijn aangifte van mensenhandel tegen zijn oud-werkgever. Het strafrechtelijke onderzoek naar aanleiding van deze aangifte is op 22 januari 2024 afgesloten. Verweerder heeft daarom de verblijfsvergunning van verzoeker ingetrokken vanaf dezelfde datum. Tegen deze intrekking heeft verweerder bezwaar ingesteld. Tegen het besluit op dit bezwaar heeft verzoeker beroep ingesteld. Deze beroepsprocedure loopt nog.
3. Op 25 oktober 2024 heeft verweerder geweigerd aan verzoeker een terugkeervisum af te geven. Verzoeker heeft verklaard dat hij naar Brazilië moest om een operatie te ondergaan. Het terugkeervisum had hij nodig om daarna weer terug te kunnen keren naar Nederland. Verweerder heeft geweigerd verzoeker een terugkeervisum te geven omdat verzoeker geen medische stukken had om de noodzaak van zijn reis naar Brazilië te onderbouwen. Verzoeker heeft op 22 november 2024 tegen deze weigering bezwaar gemaakt en zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
4. Op 29 november 2024 is eiser naar Brazilië gereisd, waar hij nu nog steeds is.
Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. Verzoeker voert in dit kader aan dat hij na zijn operatie, die eind januari 2025 plaatsvindt, eerst een maand rust moet houden. Begin maart 2025 wil hij weer terugkeren naar Nederland om een nieuwe aangifte te doen van mensenhandel tegen zijn oud-werkgever. Deze aangifte kan verzoeker alleen fysiek en op afspraak doen bij een speciale eenheid van de politie in Nederland. Het is daarom van belang dat verzoeker in staat wordt gesteld om terug te keren naar Nederland.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit de door verzoeker naar voren gebrachte feiten en omstandigheden niet dat sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van de door hem gevraagde voorlopige voorziening. Immers, er is nog geen sprake van een afspraak voor het doen van aangifte en uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht blijkt ook niet dat de aangifte binnenkort plaats zal vinden.
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.