Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-16
ECLI:NL:RBDHA:2025:10849
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,990 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8127
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] in Frankrijk, eiser
en
De Nationale ombudsman (de No), verweerder
(gemachtigde: mr. L.L. Scheppink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op zijn verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
De No heeft met het besluit van 30 juni 2022 op het Woo-verzoek beslist. Met het bestreden besluit van 5 december 2022 heeft de No het bezwaar daartegen gegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft digitaal aan de zitting deelgenomen. De gemachtigde van de No was fysiek aanwezig.
1.3.
Tijdens de zitting heeft eiser zijn verzoek om verwijzing naar een andere rechtbank op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie ingetrokken. De rechtbank ziet geen reden om dit ambtshalve alsnog te doen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 12 mei 2022 heeft eiser de No verzocht om alle materialen die tijdens workshops, presentaties, etc. worden gebruikt om deelnemers te scholen op het gebied van klachtbehandeling en lastig dan wel complex klaaggedrag. Ook heeft hij verzocht om alle documenten die getuigen van de wijze waarop het denken daarover zich de afgelopen jaren binnen de organisatie van de No heeft ontwikkeld, inclusief documenten met cijfers die zij daarover hebben verzameld. Tot slot ziet het verzoek op alle documenten over de brief die eiser eerder op 24 september 2021 aan de No heeft verstuurd.
2.1.
Bij besluit van 30 juni 2022 heeft verweerder vier documenten volledig openbaar gemaakt, en negen documenten gedeeltelijk. Met de beslissing op bezwaar zijn nog een aantal documenten openbaar gemaakt. De daarin genoemde persoonsgegevens heeft de No weggelakt, met uitzondering van de heer Miedema.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Dat de No stelt de brief van 24 september 2021 nooit te hebben ontvangen, acht eiser ongeloofwaardig. In het verleden is er veel mailcontact geweest tussen hem en de No, en daarbij zijn nooit eerder dit soort problemen ondervonden. Ook zijn er verschillende aanwijzingen dat de No wel degelijk op de hoogte was van de brief. De No heeft simpelweg geweigerd zijn brief van 24 september 2021 te beantwoorden en dat moet ergens zijn vastgelegd. De No moet daarom nogmaals naar de e-mail van 24 september 2021 zoeken, en aan de hand van documenten duidelijk maken wat er uiteindelijk met die brief is gebeurd. Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank dient ambtshalve de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen. Een beroep is onder meer niet-ontvankelijk als er sprake is van misbruik van recht.
4.1.
Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Van een dergelijk misbruik van recht kan sprake zijn als een bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.Of er al dan niet sprake is van misbruik van recht, moet per zaak moeten worden beoordeeld. Wel kunnen eerdere procedures en de handelwijze van een partij worden betrokken bij het oordeel of in een specifieke zaak misbruik van recht is gemaakt.
4.2
Eerder heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de No zeventien Woo-verzoeken die eiser heeft ingediend in de periode 17 november 2022 tot 14 april 2023, met toepassing van artikel 4.6 van de Woo buiten behandeling heeft kunnen stellen wegens misbruik van de Woo. Hierbij is overwogen dat eiser met deze Woo-verzoeken kennelijk niet het doel had om publieke informatie te verkrijgen, maar om afhandeling van de door hem ingediende Woo-verzoeken te bemoeilijken en zo een onevenredig beslag te leggen op de organisatie van de ombudsman. Volgens de No zou eiser, ook al vóór de inwerkingtreding van de Woo, onder meer dreigen met het doen van aangiftes en het online publiceren van persoonsgegevens van medewerkers van de No, en zich laatdunkend uitlaten over medewerkers van de No. Hij zou daarnaast Woo-verzoeken indienen om druk uit te oefenen, en bij het indienen daarvan relevante informatie achterhouden. De hoogste bestuursrechter acht aannemelijk dat eiser dit gedrag heeft vertoond en dat hij medewerkers van de No op onheuse wijze heeft bejegend en heeft geconcludeerd dat eiser zich schuldig maakte aan misbruik van recht. Tevens heeft de hoogste bestuursrechter overwogen dat dit misbruik een structureel karakter heeft.
4.3
De rechtbank overweegt dat voornoemd oordeel betrekking heeft op een aantal aanvragen dat is ingediend na de onderhavige aanvraag en besluitvorming in deze zaak. Verweerder heeft de onderhavige aanvraag niet buiten behandeling gesteld, maar inhoudelijk beoordeeld. Dat betekent evenwel niet dat de wijze waarop die latere zaken zijn afgedaan door de hoogste bestuursrechter niet van belang zijn. De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of de onderhavige aanvraag in feite behoort tot het cluster van aanvragen dat blijkens de uitspraak van de hoogste bestuursrechter is ingediend met een ander doel dan waarvoor de Woo is bedoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval.
4.4
Eiser heeft sinds de inwerkingtreding van de Woo tientallen Woo-verzoeken ingediend bij de No, zowel op eigen titel als namens derden. Al deze verzoeken hebben eenzelfde soort tendens, toon en achtergrond, en zijn binnen een relatief korte periode ingediend. Dit geheel aan Woo-verzoeken en de bijbehorende correspondentie tussen partijen, onthult een structureel patroon waaruit volgt dat het eiser in de regel niet te doen is om het verkrijgen van publieke informatie, maar om de No en zijn organisatie te frustreren. Het onderhavige Woo-verzoek is daarin niet anders. Eiser heeft daarnaast verder geen aanknopingspunten aangedragen op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat dit verzoek desondanks anders is dan de verzoeken waar de hoogste bestuursrechter uitspraak over heeft gedaan. Dat eiser (ook) in deze zaak veel tijd heeft besteed aan de procedures of dat hij stelt onderzoek te doen naar het functioneren van de No, laat onverlet dat het hem kennelijk niet te doen is om het verkrijgen van publieke informatie.
4.4
De rechtbank overweegt dat de bevoegdheid van eiser om beroep in te stellen tegen een (gedeeltelijk) afwijzend Woo besluit dient om zijn rechten op grond van de Woo te borgen in een rechterlijke toetsing. De bevoegdheid om beroep in te stellen bij de bestuursrechter kan dan ook niet los worden gezien van het onderliggende – in rechte te waarborgen – recht: in dit geval de toegang tot publieke informatie op grond van de Woo. Nu – zoals hiervoor is geoordeeld - het onderhavige verzoek van eiser behoort tot het cluster aan Woo-verzoeken waarvan in rechte vaststaat dat deze niet zijn ingediend met het oog op het verkrijgen van publieke informatie, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat het instellen van beroep in het verlengde van een dergelijke aanvraag evenmin dient om zijn rechten op grond van de Woo veilig te stellen met een rechterlijke toets. Naar het oordeel van de rechtbank is er om die reden sprake van misbruik van het recht om in beroep te gaan bij de rechtbank in strijd met het bepaalde in artikel 3:13 van het BW.
4.5
Omdat het beroep van eiser niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege misbruik van recht, bestaat er in beginsel geen spanning en frustratie die recht geeft op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Er is in dit geval geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt daarom afgewezen.
4.6
De rechtbank wijst er verder nog uitdrukkelijk op dat een natuurlijk persoon in de kosten van het geding kan worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De rechtbank sluit niet uit dat zij bij een volgende
niet-ontvankelijkverklaring van een beroep wegens misbruik van recht, eiser zal veroordelen tot vergoeding van de kosten die het bestuursorgaan in die procedure heeft gemaakt.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.
Volgens artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Idem, tweede lid. Op grond van artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3830.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling, van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817, en de uitspraak van rechtbank Amsterdam, van 28 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2239.
Artikel 4.6 van de Wet open overheid (Woo) luidt: Indien de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie of indien het verzoek evident geen bestuurlijke aangelegenheid betreft, kan het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek, dan wel onverwijld nadat is gebleken dat de verzoeker kennelijk een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie, besluiten het verzoek niet te behandelen.
Zie de uitspraak van de Afdeling, van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4594.
Zie de uitspraak van de Afdeling, van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4595, r.o. 3.2.
Zie ook de uitspraak van de Afdeling, van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4724.
Idem.
Als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.