Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2025:10536
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,504 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/1853
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de ministerie van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. A. Divis-Stein).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om compensatie van een afgeloste schuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Verweerder heeft het verzoek met het besluit van 13 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 november 2023, bekendgemaakt op 26 februari 2024, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 28 juli 2021 heeft hij op grond van de Wht een schadevergoeding ontvangen van € 30.000.-. Met dit bedrag heeft eiser een bankschuld aan ING van € 24.900,- afgelost.
3. Eiser heeft Sociale Banken Nederland (SBN) verzocht om overneming en betaling van de afgeloste bankschuld. Verweerder heeft dit afgewezen; volgens verweerder was geen sprake van een wegens betalingsachterstanden opeisbare schuld.
Wat stelt eiser in beroep?
4. Als gedupeerde heeft eiser noodgedwongen de banklening afgesloten. Door de afwijzing van zijn verzoek ondervindt hij nog steeds nadeel van de kinderopvangtoeslagaffaire. Het bestreden besluit is niet deugdelijk gemotiveerd; het is niet duidelijk waar de afwijzing op berust. Daarnaast is geen zorgvuldig feitenonderzoek verricht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het kader
5. In de Wht is bepaald onder welke voorwaarden een gedupeerde in aanmerking komt voor overneming en afbetaling van een private geldschuld. Daarvoor is onder meer vereist, dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. Een afgeloste schuld kan desondanks voor vergoeding in aanmerking komen, als de schuld bij uitblijven van aflossing zou hebben voldaan aan de voorwaarden voor overneming, terwijl de aflossing heeft plaatsgevonden na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel.
5.1
Onder omstandigheden kan het voorkomen dat toepassing van de wettelijke voorwaarden, gelet op het belang dat ze beogen te beschermen, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dergelijke gevallen kan met toepassing van de hardheidsclausule van de voorwaarden worden afgeweken.
De bankschuld
6. De bankschuld aan ING betrof een hoofdsom uit een doorlopend krediet. Op grond van de Wht komt een dergelijke schuld alleen voor overneming of afbetaling in aanmerking, als die vanwege een betalingsachterstand opeisbaar is geworden. Uit het dossier is niet gebleken dat eiser voor deze schuld is aangemaand. Ook verder zijn er geen aanwijzingen dat er betalingsachterstanden voor deze schuld waren. Verweerder heeft dit op basis van zorgvuldig feitenonderzoek vastgesteld. In het bestreden besluit heeft verweerder dit dan ook terecht ten grondslag gelegd aan het oordeel, dat de schuld niet in aanmerking komt voor afbetaling. Verweerder heeft dit voldoende duidelijk uitgelegd en het bestreden besluit dan ook deugdelijk gemotiveerd.
6.1
Voor zover eiser zich heeft willen beroepen op de hardheidsclausule, ziet de rechtbank voor toepassing van deze bepaling geen ruimte. Het is niet gebleken dat de huidige situatie van eiser bijzonder of zeer schrijnend is. De rechtbank begrijpt dat de bankschuld is aangegaan vanwege de moeilijke situatie waarin eiser zich bevond, maar deze situatie onderscheidt zich niet van de situatie van andere gedupeerden. Bovendien is het doel van de schuldenregeling niet om het onrecht uit het verleden te herstellen, waarvoor andere trajecten in het leven zijn geroepen, maar op het bieden van een nieuwe start. Het is niet gebleken dat het bestreden besluit vanuit dat oogpunt zo onbillijk voor eiser uitpakt, dat verweerder de hardheidsclausule had moeten toepassen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
Dictum
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4.1, tweede lid van de Wht.
Artikel 4.3 van de Wht.
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Wht.
Artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, bladzijde 41, 46-47.