Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-17
ECLI:NL:RBDHA:2025:10524
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,639 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25788
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 13 juni 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 16 juni 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 17 juni 2025 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en een burger van Bosnië-Herzegovina te zijn.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Verweerder heeft in het verweerschrift de zware grond 3i en lichte gronden 4a en 4b laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel ten grondslag liggen.
4. Eiser betwist in beroep alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, gelet op zijn angst om teruggestuurd te worden naar Bosnië-Herzegovina. In het geval hij teruggestuurd wordt vreest hij voor zijn leven. Wat betreft de zware grond 3b stelt eiser dat hij weinig kennis had van de procedures. Hij heeft zich niet altijd gemeld uit angst opgepakt of teruggestuurd te worden.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware grond 3a terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser heeft niet aangetoond dat hij bij zijn eerste binnenkomst in Nederland in het bezit was van een geldig reis- of identiteitsdocument. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. De door eiser gestelde reden van zijn reis naar Nederland doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. De zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Deze is ook voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Eiser is immers meermaals met onbekende bestemming vertrokken. Dat hij weinig kennis van de procedures had, doet daar niet aan af. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
6. Eiser stelt dat een lichter middel had kunnen volstaan. Hij zal zich immers niet onttrekken aan het toezicht. Hij heeft er alle belang bij om beschikbaar te blijven voor verweerder in het kader van zijn asielprocedure.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Van belang is daarbij dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De enkele stelling van eiser dat hij zich dit keer wel beschikbaar zal houden voor zijn asielprocedure is daarom onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
8. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.