Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2025:10482
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,094 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7345
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2025 in de zaak tussen
[eisers] , uit [vestigingsplaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. B.J.W. Walraven),
en
het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college
(gemachtigde: mr. S.M.W. Verouden).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] B.V. uit [vestigingsplaats 2] (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. M. van Riessen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college terecht een omgevingsvergunning heeft verleend voor het verbouwen van een bedrijfsruimte aan de [adres] in [plaats] naar twee zelfstandige appartementen.
1.1.
Eisers bezitten panden en/of exploiteren horecagelegenheden in de buurt van het vergunde bouwplan. Zij vrezen dat de realisatie van de vergunde appartementen op deze locatie hen in hun bedrijfsvoering zal hinderen, omdat de bewoners van de appartementen mogelijk overlast zullen ervaren. Eisers betwisten de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 21 september 2023 waarbij de verleende omgevingsvergunning is gehandhaafd. Aan de hand van wat eisers hiertegen in beroep hebben aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning terecht is verleend.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning terecht is verleend en dat het beroep van eisers tegen het bestreden besluit daarom ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 13 oktober 2022 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor de omgevingsvergunning die met het primaire besluit van 23 februari 2023 is verleend. Deze aanvraag betreft de activiteit ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.1.
Met het bestreden besluit van 21 september 2023 zijn de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en is dat besluit gehandhaafd.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Vergunninghoudster is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .
Beoordeling
Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 oktober 2022 blijft de Wabo van toepassing.
Is het bestemmingsplan onverbindend?
4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Zeewaardig”. De locatie van het bouwplan heeft hierin – voor zover hier van belang – de bestemming “Centrum”. Op grond van die bestemming zijn de gronden ter plaatse onder andere bestemd voor wonen, uitsluitend op de verdieping.
5. Eisers betogen dat de bestemming “Centrum”, voor zover daarmee wonen op de verdieping is toegestaan op het perceel, evident in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De vergunde appartementen zijn gesitueerd aan de achterzijde van horecaondernemingen aan De Grent, waar glas- en vuilcontainers staan. De horeca-activiteiten veroorzaken onvermijdelijk geluidhinder en geuroverlast, waardoor van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de vergunde appartementen geen sprake zal zijn. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat de bestemming “Centrum” onverbindend is voor zover daarmee wonen op de verdieping wordt toegestaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat het bestemmingsplan is vastgesteld op 18 december 2014 en inmiddels onherroepelijk is. De mogelijkheid om in een beroepsprocedure als deze over een verleende omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, strekt niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. In dit beroep dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten, indien deze evident in strijd is met een hogere regeling. Daarvoor is onder meer vereist dat de hogere regelgeving zodanig concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent.
5.2.
In dit geval hebben eisers aangevoerd dat de bestemming “Centrum”, voor zover daarmee op deze locatie wonen op de verdieping mogelijk is gemaakt, niet voldoet aan het criterium van een goede ruimtelijke ordening. Het is vaste rechtspraak dat de vraag of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aan een perceel de juiste bestemming is toegekend, in het kader van een exceptieve toetsing niet aan de orde kan komen. Het bestemmingsplan is onherroepelijk en van de rechtmatigheid daarvan moet worden uitgegaan. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze uitspraak anders te oordelen. Indien eisers het niet eens waren met de toekenning van de bestemming “Centrum” aan dit perceel, hadden zij hiertegen moeten opkomen in een procedure tegen de vaststelling van het bestemmingsplan. Dat, zoals eisers stellen, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ten aanzien van een ander deel van het bestemmingsplan destijds strijd met een goede ruimtelijke ordening heeft aangenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Die procedure betrof immers de goedkeuring van het bestemmingsplan en niet – zoals deze zaak – de verlening van een omgevingsvergunning. In die zaak gold dus een andere toetsingsmaatstaf dan in deze procedure. Dat de bestemming “Centrum” op een andere locatie in het plangebied niet in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening, betekent bovendien niet zonder meer dat dit op deze locatie ook het geval is.
Het betoog slaagt niet.
5.3.
Ter zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan ingetrokken. De rechtbank zal zich hierover daarom niet uitspreken. Nu hiermee niet langer in geschil is dat het bouwplan past binnen het bestemmingsplan, heeft het college terecht aangenomen dat de omgevingsvergunning verleend moet worden als geen van de weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo zich voordoet.
Is het bouwplan in strijd met het Bouwbesluit 2012?
6. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat het vergunde bouwplan in strijd is met de eisen die de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) stellen aan de aanwezigheid van een verbindingsweg en opstelplaatsen voor de brandweer en andere hulpdiensten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.1.
De toets die het college met betrekking tot het Bouwbesluit moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Het is vaste rechtspraak dat het college beoordelingsruimte heeft bij beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.
6.2.
Uit artikel 6.37, eerst lid, en 6.38, eerste lid, van het Bouwbesluit volgt dat bij een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg en een opstelplaats voor hulpdiensten aanwezig moeten zijn, die voldoen aan de eisen die in die artikelen zijn geformuleerd. Op grond van het tweede lid van deze artikelen kan hiervan worden afgezien indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg of opstelplaats als bedoeld in het eerste lid vereisen.
6.3.
Het college heeft twee brandveiligheidsadviezen gekregen van de Veiligheidsregio Hollands Midden. In het eerste advies van de Veiligheidsregio wordt geadviseerd aan te tonen dat de appartementen bereikbaar zijn voor de hulpdiensten en de opstelplaats voor de brandweer weer te geven op een tekening en als voorwaarde aan de vergunning te verbinden. In het tweede advies van de Veiligheidsregio van 22 juni 2023 is toegelicht dat – ook als de toegangssteeg naar het bouwplan zou voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit – het zeer de vraag is of de bevelhebber van een tankautospuit hiervan gebruik zou maken. Volgens het advies is het zeer aannemelijk dat er bij een brand voor zal worden gekozen om het brandweervoertuig op een veilige plek op te stellen aan de [straat] , zoals weergegeven op een kaart in het brandveiligheidsadvies.
Verder wijst de Veiligheidsregio er in dit advies op dat er tussen de bestaande en de nieuwe situatie geen verschil bestaat met betrekking tot de bereikbaarheid en dat in de nieuwe situatie, vanwege de verplichte rookmelders, een beginnende brand sneller zal worden opgemerkt.
6.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich mogen baseren op de adviezen van de Veiligheidsregio, die immers specifieke deskundigheid op dit gebied bezit. De rechtbank is niet gebleken dat de brandveiligheidsadviezen onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eisers hebben ook geen tegenadvies overgelegd waarin de bevindingen van de Veiligheidsregio in twijfel worden getrokken. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verbindingsweg en een opstelplaats die voldoen aan de eisen uit artikel 6.37, eerste lid en artikel 6.38, eerste lid, van het Bouwbesluit in dit geval niet vereist zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen
7. Het voorgaande betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4266.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1474.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:180.