Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2025:10363
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,581 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4223
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Dienst Toeslagen
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de definitieve berekening van de huurtoeslag over het jaar 2021.
1.1.
Bij het primaire besluit van 10 januari 2024 heeft verweerder de huurtoeslag van eiser voor het jaar 2021 definitief vastgesteld op € 2.053,-.
1.1.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 is het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, de hoogte van de huurtoeslag is niet gewijzigd.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn zoon [naam 3] , en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser staat in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op een adres in Den Haag. Op ditzelfde adres staan in de periode 1 januari 2021 tot en met 9 mei 2021 ook [naam 3] en [naam 4] in de BRP ingeschreven.
2.1.
Bij beschikking van 28 december 2020 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2021 verleend van €3.519,-. Het voorschot is gebaseerd op een geschat gezamenlijk toetsingsinkomen van € 15.856,- en een rekenhuur van € 578,50. Op 17 mei 2021 ontvangt verweerder een melding dat [naam 4] en [naam 3] vanaf 10 mei 2021 niet meer bij eiser staan ingeschreven.
2.2.
Op 23 juni 2021 is het voorschot opnieuw berekend. Het voorschot huurtoeslag over 2021 blijft hetzelfde. Op 25 mei 2022 ontvangt verweerder een melding vanuit de Basisregistratie inkomen (BRI) dat het belastbaar jaarloon van [naam 3] en [naam 4] over 2021 is vastgesteld op respectievelijk € 38.362,- en € 2.536,-. Op 24 augustus 2021 ontvangt verweerder een melding vanuit de BRI dat het verzamelinkomen van eiser over 2021 is vastgesteld op € 13.007,-.
2.3.
Bij het primaire besluit is het recht op huurtoeslag van eiser voor het jaar 2021 definitief vastgesteld op € 2.053,-. Dit is gebaseerd op een gezamenlijk toetsingsinkomen van eiser, [naam 4] en [naam 3] van € 53.905,- voor de maanden januari tot en met mei. Voor de maanden juni tot en met december is het toetsingsinkomen € 13.007,-. Als gevolg daarvan moet eiser het teveel ontvangen voorschot huurtoeslag terugbetalen, in totaal € 1.555,-.
2.4.
Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard, gelet op de toepassing van de zogenaamde 10% regeling. De hoogte van de huurtoeslag is niet gewijzigd.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat het inkomen van [naam 3] op een onjuiste manier is berekend. Eiser vindt het redelijk om alleen het reëel verdiende inkomen mee te nemen in de berekening. In de maanden tot de verhuizing van [naam 3] heeft maar éénmaal een betaling van salaris plaatsgevonden. Verweerder heeft ten onrechte de te veel betaalde voorschotten huurtoeslag teruggevorderd. Eiser heeft op zitting aangevoerd dat [naam 3] wel stond ingeschreven in de BRP op het adres, maar dat hij daar niet daadwerkelijk verbleef.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het jaarinkomen van [naam 3] mocht meenemen bij de berekening van het recht op huurtoeslag over 2021 voor de maanden dat hij als medebewoner van eiser is aangemerkt. Ook heeft verweerder op goede gronden bepaald dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven om af te zien van de terugvordering van de te veel uitbetaalde voorschotten huurtoeslag.
4.1.
Het uitgangspunt bij berekening van het recht op huurtoeslag is dat er wordt uitgegaan van het jaarinkomen van eiser en diens medebewoners. Vaste rechtspraak is dat verweerder van de juistheid van de gegevens in de BRP mag uitgaan, tenzij er een aantekening van onjuistheid is geplaatst bij deze gegevens. Hiervan is echter niet gebleken. Hoewel verweerder in beginsel niet bevoegd is om af te wijken van de inschrijvingen van de BRP, is dit wel mogelijk indien blijkt dat sprake is van een onjuiste inschrijving in de BRP voor de periode tot aan de datum van adreswijziging. Het is bovendien alleen mogelijk om aan de inschrijving op een adres terugwerkende kracht toe te kennen, als sprake is van een inmiddels juiste BRP-inschrijving. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele stelling van eiser, dat hij niet woonachtig was op het adres zoals vermeld in de BRP, hiervoor dan ook onvoldoende. Uitgegaan dient te worden van de gegevens zoals opgenomen in de BRP.
4.2.
Daarnaast mag verweerder bij de berekening van het recht op huurtoeslag uitgaan van de inkomensgegevens die zijn vastgelegd in de BRI. Voor de hoogte van de toeslag over de maanden waarin sprake was van medebewoning wordt uitgegaan van het jaarinkomen van de medebewoner. [naam 3] en [naam 4] stonden tot en met 9 mei 2021 in de BRP ingeschreven op hetzelfde adres als eiser. Verweerder heeft dus terecht het jaarinkomen van [naam 3] en [naam 4] meegenomen in de berekening voor de maanden dat zij medebewoner waren.
4.3.
De wetssystematiek laat verweerder geen ruimte om het inkomen per maand te bepalen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat de wetgever een bepaling van het inkomen per maand of kwartaal niet wenselijk acht. Bij beëindiging van het medebewonerschap kan wel een vergelijking worden gemaakt tussen het vastgestelde toetsingsinkomen van de vertrokken medebewoner en het toetsingsinkomen dat is herleid aan de hand van het inkomen dat de vertrokken medebewoner heeft genoten in de periode dat hij bij eiser woonde. Als het vastgestelde toetsingsinkomen minimaal 10% hoger is dan het herleide toetsingsinkomen, dan moet er van het herleide inkomen uit worden gegaan. Dit wordt de 10%-regeling genoemd. Met de 10%-regeling wordt dus een onevenredige inkomensstijging na beëindiging van het medebewonerschap buiten beschouwing gelaten.
4.4.
In het bestreden besluit heeft verweerder de 10%-regeling wel toegepast. Hiermee heeft verweerder rekening gehouden met onevenwichtigheden die als onbillijk beschouwd zouden kunnen worden. Als wordt uitgegaan van het herleide inkomen van [naam 3] , dan is het vastgestelde toetsingsinkomen over de maanden januari tot en met mei € 43.301,- in plaats van € 53.905,- . Ook met toepassing van de 10%-regeling is het recht op huurtoeslag over de maanden waarin [naam 3] medebewoner was nihil. Het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, [naam 4] en [naam 3] blijft te hoog.
4.5.
Verweerder heeft bij de vaststelling van het bedrag dat hij terugvordert discretionaire ruimte. Verweerder moet de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. Onder bijzondere omstandigheden kan worden afgezien van terugvordering of kan het terug te vorderen bedrag gematigd worden. In beginsel is er geen sprake van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van een afwijking in het geschatte inkomen ten opzichte van het definitieve inkomen. De terugvordering bij eiser is ontstaan door een verschil in het geschatte en definitieve inkomen van zijn medebewoner, [naam 3] . De rechtbank is het met verweerder eens dat er geen bijzondere omstandigheden zijn waardoor moet worden afgezien van terugvordering.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van J.M. Coerts, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2025.
de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
de rechter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 8, derde en vierde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 januari 2012, ECLI:NLRVS:2012:BV1205 en 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:720.
Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder c, van de Uitvoeringsregeling Awir (de Uitvoeringsregeling)
Op grond van artikel 7, eerste en tweede lid jo. artikel 8, eerste lid van de Awir in samenhang met artikel 7, eerste lid van de Wht
Zie de uitspraak van 16 november 2022 van de Afdeling ECLI:NL:RVS:2022:3308.
Kamerstukken II 2004/04 29764, nr. 8, p. 24.
Op grond van artikel 8, derde en vierde lid, van de Awir.Vergelijk de uitspraak van 11 mei 2022 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2022:1352.
Op grond van artikel 3:4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 13b van de Awir.