Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-01-29
ECLI:NL:RBDHA:2025:10295
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,351 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL23.12455
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Imami).
Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen. Ook heeft verweerder in dit besluit bepaald dat aan eiser niet ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend en dat hij geen uitstel van vertrek krijgt. Het bestreden besluit geldt tevens als een terugkeerbesluit.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Foquiri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [persoon A] (voorzitter van [stichting] ; [persoon A] ).
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Afghaanse nationaliteit.
2. Eiser heeft op 26 juni 2021 zijn asielaanvraag ingediend. Op 27 maart 2023 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tevens heeft eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw gekregen.
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Hij is vanwege zijn homoseksuele geaardheid in Afghanistan bedreigd door de familie van zijn vriend ( [persoon B] ), nadat zij waren betrapt door de broer van [persoon B] toen eiser seks had met [persoon B] . Na eisers vertrek uit Afghanistan in de zomer van 2020 zijn zowel de Afghaanse autoriteiten als de familie van [persoon B] aan de deur geweest, op zoek naar eiser. De autoriteiten hebben een schriftelijke verklaring afgegeven waaruit blijkt dat eisers familie hem moet overdragen. Bij terugkeer naar Afghanistan loopt eiser het risico te worden vermoord vanwege zijn homoseksuele geaardheid.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Homoseksuele geaardheid;
Problemen in verband met homoseksuele geaardheid.
4.1.
Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht.
4.2.
De homoseksuele geaardheid van eiser en de problemen in verband hiermee heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat eisers verklaringen over zijn seksuele geaardheid over de gehele linie oppervlakkig, weinig authentiek en op sommige punten tegenstrijdig zijn. Omdat verweerder de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig acht, vindt verweerder de gestelde problemen die daaruit voortkomen evenmin geloofwaardig. Bovendien vindt verweerder dat eiser ook over die problemen niet aannemelijk heeft verklaard.
4.3.
Eiser kan volgens verweerder op grond van het geloofwaardig geachte eerste element niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Beoordeling
Referentiekader
5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft te weinig gekeken naar zijn leeftijd, herkomst en beperkte scholing. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een rapport overgelegd van [persoon A] , opgemaakt op 13 januari 2025.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser is, op twee opeenvolgende dagen, gehoord door een medewerker die is opgeleid voor het horen van minderjarige asielzoekers. Tijdens het gehoor op de eerste dag en op de ochtend van de tweede dag was een medewerker van Vluchtelingenwerk Nederland aanwezig en in de middag van de tweede dag een medewerker van Nidos, die beiden tijdens of na afloop van het gehoor geen kanttekeningen hebben geplaatst over de wijze waarop eiser is gehoord. Ook is uit het rapport van het nader
gehoor niet gebleken dat eiser bepaalde vragen niet begreep of niet voldoende kon beantwoorden vanwege zijn referentiekader. Waar nodig zijn aan eiser vragen ter verduidelijking gesteld. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn leeftijd, zijn beperkte scholing of zijn herkomst niet in staat is geweest om zijn asielrelaas voldoende naar voren te brengen. Het door eiser overgelegde rapport van [persoon A] maakt dit niet anders. Dat verweerder met een onvolledig referentiekader heeft gewerkt, wordt in dit rapport wel gesteld, maar naar het oordeel van de rechtbank maakt het rapport onvoldoende duidelijk waarop deze stelling is gebaseerd. Ook eiser heeft niet verder geconcretiseerd waaruit blijkt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met bijvoorbeeld zijn jeugdige leeftijd, beperkte scholing of culturele achtergrond.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid homoseksuele geaardheid
6. Eiser voert aan dat verweerder zijn homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig acht. Eiser heeft niet algemeen en oppervlakkig verklaard over zijn gedachten en gevoelens. Verweerder is bij de beoordeling ten onrechte uitgegaan van stereotype processen van diepgaande bewustwording, ontwikkeling en zelfacceptatie die eiser moet hebben doorlopen en van een interne worsteling, te meer omdat zijn homoseksualiteit in Afghanistan niet wordt geaccepteerd. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt wat van eiser nog meer mocht worden verwacht.
6.1.
Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid, rekening houdend met zijn referentiekader, oppervlakkig en vaag zijn. Zo antwoordde eiser op de vraag hoe hij zich realiseerde dat hij anders was, dat hij op jongens viel en dat hij dat kon merken als mens. Hij verklaarde een ander gevoel te krijgen als hij een knappe jongen zag, zonder deze gevoelens en ervaringen verder uit te leggen, ook niet nadat hem hiernaar werd gevraagd. Ook wist eiser niet meer wanneer hij zich voor het eerst aangetrokken voelde tot een jongen. En hoewel eiser verklaarde dat over homoseksualiteit negatief werd gesproken op de Koranschool, schrok hij niet toen hij ontdekte dat hij op jongens viel. Het enige waar hij over piekerde na deze ontdekking, was de vraag waarom hij niet met een jongen mocht trouwen. Over andere zaken maakte eiser zich naar eigen zeggen op dat moment geen zorgen. Dit acht verweerder niet ten onrechte onaannemelijk, omdat op de Koranschool zeer negatief over homoseksualiteit werd gesproken en omdat homoseksualiteit taboe is in Afghanistan en daartegen bij ontdekking hard wordt opgetreden. Ook de verklaringen van eiser over de relatie met [persoon B] heeft verweerder onvoldoende persoonlijk kunnen achten. Zo wist eiser niet hoe de broers van [persoon B] heten, los van de broer die hen had betrapt. Dat hij geen contact had met de andere broers en bang was voor de hele familie, zoals eiser ter zitting naar voren bracht, is hiertoe onvoldoende. Eiser heeft in Afghanistan steeds in hetzelfde kleine dorp gewoond en de familie van [persoon B] woonde vlakbij. Dat eiser vervolgens, ook na een relatie van een aantal jaren met [persoon B] , geen namen van broers van [persoon B] kan noemen, acht verweerder niet ten onrechte bevreemdingwekkend. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser zijn homoseksuele gevoelens onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt en ook onvoldoende concreet heeft verklaard over zijn relatie met [persoon B] .
6.2.
Verweerder heeft verder niet ten onrechte overwogen dat eisers beperkte kennis van de LHBTI-gemeenschap in Nederland afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Op het moment van het nader gehoor was eiser al één jaar in Nederland. Verweerder vindt het opvallend dat eiser toen nog niet of nauwelijks kon verklaren over de situatie van LHBTI’s in Nederland. Dat hij weinig geld had, de taal niet sprak en nog naar school ging, is daarvoor geen afdoende verklaring, zeker omdat zijn geaardheid volgens eiser de reden was om Afghanistan te ontvluchten en in Nederland asiel aan te vragen, waarbij eiser verklaarde meer te willen weten over de LHBTI-gemeenschap in Nederland. Eiser had hierover bijvoorbeeld navraag kunnen doen bij zijn voogd of bij iemand in het asielzoekerscentrum. Gesteld noch gebleken is dat eiser dit zelfs maar heeft geprobeerd.
6.3.
Eiser heeft weliswaar gesteld dat verweerder bij zijn beoordeling blijk heeft gegeven van stereotype opvattingen, maar eiser heeft niet concreet toegelicht waaruit dat zou blijken. Evenmin heeft eiser onderbouwd waaruit zou blijken dat verweerder een diepgaande bewustwording, interne worsteling of proces van zelfacceptatie bij eiser verwacht. Het rapport van [persoon A] leidt in dit verband niet tot een ander oordeel. In dit rapport zijn grote delen van het nader gehoor geciteerd en wordt in een groot aantal gevallen gesteld dat een bepaalde verklaring van eiser (zeer) persoonlijk of authentiek is. Waarom dat zo is, wordt in het rapport echter niet toegelicht en is naar het oordeel van de rechtbank niet zo evident dat een toelichting niet verwacht mag worden.
6.4.
Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid gestelde problemen
7. Eiser voert aan dat verweerder ook de problemen vanwege de homoseksuele geaardheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. Hij vreest voor vervolging door de Taliban bij terugkeer naar Afghanistan. De overgelegde foto’s van eisers gewonde vader maken aannemelijk dat de mishandeling van vader heeft plaatsgevonden en deze mishandeling houdt verband met eisers homoseksuele geaardheid. Ook heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt een kopie van een dreigbrief overgelegd, gedateerd
1 mei 2023 en opgesteld door het Islamitisch Emiraat van Afghanistan.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat eiser de problemen als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Van belang daarbij is dat verweerder eisers homoseksuele geaardheid, gelet op wat hierboven is overwogen, niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daaruit volgt in beginsel al dat ook de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig kunnen worden geacht. Niettemin stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat deze problemen ook op zichzelf beschouwd onaannemelijk zijn. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat de in beroep overgelegde dreigbrief niet aannemelijk maakt dat eiser wordt bedreigd en moet worden overgedragen aan de autoriteiten vanwege zijn gestelde homoseksuele geaardheid.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u de behandeling van het hoger beroep niet kunt afwachten omdat de zaak spoed heeft, dan kunt u de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Beoordeling
Nog los van de vraag of de brief überhaupt aan eiser of aan zijn familie is gericht, wordt in de brief gesproken over ‘een zeer groot misdrijf’ waarbij niet duidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder heeft eiser ter zitting vaag verklaard over deze brief; hij weet niet hoe zijn ouders in het bezit daarvan zijn gekomen en ook niet wanneer. Daarnaast heeft tijdens het nader gehoor, geruime tijd voordat de dreigbrief is gedateerd en overgelegd, tegenstrijdig verklaard over de vraag of er een schriftelijke oproep
is. Eiser verklaarde eerst dat er na zijn vertrek een schriftelijke oproep van de rechtbank is gekomen, maar daarna verklaarde hij dat hij dit niet weet. Ook op andere tegenwerpingen in het voornemen, bijvoorbeeld dat het ongerijmd is dat eiser en [persoon B] seks hadden langs een openbare weg, heeft eiser niet of nauwelijks gereageerd, anders dan naar aanleiding van de vragen die hem ter zitting zijn gesteld. Dat sprake zou zijn van een privéweg waar normaal gesproken niemand kwam, valt niet zonder meer te rijmen met wat eiser daarover tijdens het nader gehoor heeft verklaard.
7.2.
Ook heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de foto’s van de gewonde vader van eiser onvoldoende zijn om de gestelde problemen vanwege de homoseksuele geaardheid van eiser alsnog aannemelijk te achten. Uit de foto’s lijkt weliswaar te volgen dat zijn vader verwondingen heeft opgelopen waarvoor hij behandeld is, maar niet of de verwondingen zijn ontstaan door een aanval en evenmin dat de vermeende aanval het gevolg was van de homoseksuele geaardheid van eiser.
7.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Algemene veiligheidssituatie Afghanistan
8. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer naar Afghanistan geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Onder verwijzing naar onder meer een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 28 februari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:2720) meent eiser dat verweerder niet zonder nader onderzoek kan stellen dat hij geen reëel risico loopt bij terugkeer, nu uit de ambtsberichten valt af te leiden dat uit het westen terugkerende Afghanen in de negatieve belangstelling kunnen staan van de Taliban. Uit het algemeen ambtsbericht van maart 2022 volgt volgens eiser dat sinds 15 augustus 2021 geen uitzetting plaatsvindt van afgewezen asielzoekers naar Afghanistan. In dit kader beroept eiser zich ook op de UNHCR Guidance Note on the International Protection Needs of People Fleeing Afghanistan, update I, van februari 2023, paragraaf 31.
8.1.
Het beroep van eiser op verschillende rechtbankuitspraken kan hem niet baten. Op 20 november 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in het hoger beroep tegen de uitspraak van zittingsplaats Arnhem geoordeeld dat een Afghaan die terugkeert uit het westen niet al(leen) om die reden een reëel risico loopt op ernstige schade bij vrijwillige terugkeer naar Afghanistan (ECLI:NL:RVS:2024:4648). Anders dan de rechtbank in de hierboven genoemde uitspraak was de Afdeling van oordeel dat er geen aanleiding was voor verweerder om nader onderzoek te doen naar de terugkeerrisico’s. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken waarom hij in de negatieve aandacht staat van de Taliban en dat die aandacht kan leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
8.2.
Niet in geschil is dat er op dit moment geen gedwongen uitzettingen plaatsvinden naar Afghanistan. Dat neemt gelet op het bovenstaande niet weg dat het in beginsel aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij in de negatieve aandacht staat van de Taliban. Van eiser mag bij een negatieve uitkomst van zijn asielprocedure in beginsel verwacht worden te voldoen aan zijn vertrekplicht door vrijwillig terug te keren naar Afghanistan. De stelling van eiser dat hij niet vrijwillig zal terugkeren en ook niet zal worden uitgezet, betekent dus niet dat zijn aanvraag moet worden ingewilligd. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar
Afghanistan geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser en zijn homoseksuele geaardheid niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De eerder genoemde dreigbrief van 1 mei 2023 leidt niet tot een andere conclusie, omdat de context daarvan gelet op de ongeloofwaardigheid van eisers asielrelaas niet duidelijk is. Bovendien kon eiser niets verklaren over de manier en het tijdstip van ontvangst van deze brief door zijn ouders, wat wel op eisers weg had gelegen.
Ook dat doet afbreuk aan de bewijskracht van deze brief.
8.3.
Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat het geloofwaardig geachte relevant element 1 (Identiteit, nationaliteit en herkomst) niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser niet behoort tot een aangewezen kwetsbare minderheidsgroep in Afghanistan en dat hij op grond van zijn persoonlijke situatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatiebericht 2022/71
9. Verder voert eiser aan dat verweerder hem ten onrechte niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven als bedoeld in Informatiebericht (IB) 2022/71.
9.1.
In IB 2022/71, geldig van 21 juli 2022 tot en met 21 oktober 2023, heeft verweerder ten behoeve van het beslissen op Afghaanse asielaanvragen vermeld dat de beoordeling van asielaanvragen zal plaatsvinden op basis van de individuele omstandigheden, afgezet tegen de zorgelijke veiligheids- en mensenrechtensituatie in Afghanistan en rekening houdend met de omstandigheid dat het algemeen ambtsbericht Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2022 geen compleet beeld heeft kunnen geven van de veiligheidssituatie in Afghanistan. In de praktijk betekent dit dat, afhankelijk van het individuele geval, binnen de kaders van het beleid eerder aanleiding kan bestaan om het voordeel van de twijfel te geven en uit te gaan van de aannemelijkheid van de verklaringen en de gestelde vrees bij terugkeer naar Afghanistan. De verwachting van verweerder is dat de meeste Afghaanse asielaanvragen zullen worden ingewilligd, tenzij er sprake is van een afwijzingsgrond of als de vreemdeling in een individueel geval op inhoudelijke gronden niet in aanmerking komt voor een asielvergunning. Een genoemd voorbeeld van een dergelijk individueel geval is een alleenstaande man die niet behoort tot één van de risicogroepen of kwetsbare minderheidsgroepen en wiens asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden.
9.2.
Deze werkwijze is in het leven geroepen vanwege de onduidelijke veiligheidssituatie in Afghanistan en betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder in geval van een niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden asielrelaas moet overgaan tot het verlenen van een asielvergunning. Pas in geval van een geloofwaardig bevonden asielrelaas gaat verweerder verder toetsen of de vreemdeling verdragsvluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer en zal verweerder eerder dan gebruikelijk de vreemdeling het voordeel van de twijfel geven. Nu eiser niet behoort tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep en verweerder zijn asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden, waarbij voldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader, slaagt het beroep op het inmiddels vervallen IB 2022/71 niet.