Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-28
ECLI:NL:RBDHA:2025:10203
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,157 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51799 (beroep) en NL24.51800 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. P.M. Langereis),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).
Procesverloop
1. Bij besluit van 30 januari 2024, uitgereikt op 18 mei 2024, heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht.
1.1.
Met het bestreden besluit van 29 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser leidt een zwervend bestaan. Hij staat sinds 28 februari 2014 in de BRP ingeschreven als niet-ingezetene. Verweerder gaat ervanuit dat eiser vanaf 22 maart 2023 in Nederland verblijft, omdat hij sinds die datum regelmatig in aanraking met de politie is gekomen. Hij voldoet niet aan de voorwaarden voor langer dan 3 maanden rechtmatig verblijf op grond van de Verblijfsrichtlijn, zoals opgenomen in artikel 8.12, lid 1, Vb. Verweerder heeft daarom vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft als EU-onderdaan.
Wat vindt eiser?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft onvolledig onderzoek gedaan. Eiser stond sinds 28 februari 2014 ingeschreven als niet-ingezetene in de Basisregistratie personen. Verweerder had ook onderzoek moeten doen naar de periode vanaf 28 februari 2014 tot maart 2023. Verder is aan eiser niet kenbaar gemaakt hoe hij moet voldoen aan het besluit. Voor eiser is onduidelijk hoe hij zijn verblijf hier te lande definitief en kenbaar kan beëindigen. Daardoor ontstaat een situatie dat eiser ten onrechte en dus in strijd met artikel 5 van het EVRM in vreemdelingendetentie kan komen. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd waarom een minimale vertrektermijn afdoende is. Een belangenafweging ontbreekt. Bovendien vindt eiser dat verweerder hem ten onrechte heeft bevolen om terug te keren naar Polen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Op grond van artikel 8.16, eerste lid, Vb, kan verweerder, kort samengevat, onderzoeken of een Unieburger voldoet aan de voorwaarden voor zijn verblijf. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht onderzoek gedaan naar eiser en daarbij terecht geconstateerd dat er geen sprake is van rechtmatig verblijf. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder wel onderzoek gedaan naar het verblijf van eiser in de periode van 28 februari 2014 tot maart 2023. Daaruit bleek dat eiser in die periode geen vaste woon- of verblijfplaats had en geen arbeid in loondienst verrichtte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen verder onderzoek hoeven te verrichtten. Redengevend daarvoor is dat dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij in die periode rechtmatig in Nederland verbleef. Ook anderszins heeft eiser geen enkel aanknopingspunt naar voren gebracht op grond waarvan verweerder onderzoek zou kunnen instellen.
5. Ten aanzien van de vertrektermijn van 1 maand heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken omdat geen rechtsregel verweerder daartoe verplicht. Dat een vertrektermijn van 1 maand afdoende is volgt uit de mogelijkheid om, behalve in dringende gevallen, geen kortere vertrektermijn dan 1 maand te kunnen opleggen. Verweerder verwijst in dat verband terecht naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 4 augustus 2023.
6. Verder oordeelt de rechtbank dat hetgeen eiser heeft aangevoerd over het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf niet kan slagen. De rechtbank overweegt dat uit de Werkinstructie 2023/3 volgt dat er op de minister geen informatieplicht rust ten aanzien van het rechtmatige verblijf van een Unieburger in Nederland. Uit deze Werkinstructie volgt dat de burger na een verwijderingsmaatregel in het gastland een nieuw verblijfsrecht als burger van een EU-lidstaat kan verkrijgen, niet alleen door het gastland fysiek te verlaten maar ook door zijn verblijf in het gastland daadwerkelijk en effectief te beëindigen. De vraag of eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd speelt dan ook pas als eiser uit Nederland is vertrokken en weer inreist en opnieuw verblijfsrecht wenst te verkrijgen. Wat hieromtrent is aangevoerd, inclusief de elementen uit de Werkinstructie 2023/3 en het arrest FS, kan dus niet in deze procedure aan de orde komen. Voor zover het bestreden besluit al dan niet een grondslag schept voor bewaring kan ook dit niet in deze procedure aan de orde komen. Als eiser in vreemdelingenbewaring terechtkomt, kan hij de grondslag van zijn vrijheidsontnemende maatregel laten toetsen bij de bewaringsrechter.
6.1.
Ten aanzien van het noemen van Polen als land waar eiser naar terug moet keren, volgt de rechtbank eiser in zijn betoog dat dit ten onrechte is opgenomen in het besluit. De rechtbank is met eiser eens dat het hier gaat om een verwijderingsbesluit en niet om een terugkeerbesluit en dat de minister ten onrechte een land van terugkeer heeft opgenomen. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en vernietigd, maar slechts voor zover daarbij is bepaald dat eiser naar Polen moet terugkeren. Voor het overige worden de rechtsgevolgen in stand gelaten.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigen en alleen voor zover daarin Polen genoemd staat. De rechtbank laat het besluit voor het overige in stand. Nu er op het beroep is beslist, zal het verzoek om de voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard vanwege een gebrek aan connexiteit.
8. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), een verzoekschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). Alle punten hebben een gewicht van 1 met een waarde van € 907,- euro per punt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 november 2024 voor zover daarin Polen genoemd staat;
- bepaalt dat het besluit van 29 november 2024 voor het overige in stand blijft.
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De rechtbank/voorzieningenrechter:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om de voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Basisregistratie personen.
Richtlijn 2004/38/EG.
Vreemdelingenbesluit 2000.
ECLI:NL:RVS:2023:3006.
arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506.
Zie voor een vergelijkbaar oordeel de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 14 februari 2025. ECLI:NL:RBDHA:2025:3469.
Op grond van artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht.