Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-10
ECLI:NL:RBDHA:2025:10064
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,388 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48882
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
van Algerijnse nationaliteit,
alias: [naam 2],
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers opvolgende asielaanvraag. Eiser heeft gesteld dat hij de Libische nationaliteit heeft en in Libië te vrezen heeft. De minister heeft gehandhaafd dat eiser de Algerijnse nationaliteit heeft, omdat deze is bevestigd door de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister gebruik maakt van de Case Matcher. Volgens eiser betreft dit artificiële intelligentie (AI) en is het gebruik niet inzichtelijk.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Zij komt niet toe aan beoordeling van de Case Matcher, omdat deze niet is gebruikt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop. Onder 3. staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het afwijzende besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 november 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 6 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (zaaknummer NL24.48883).
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek van eiser op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het onderzoek is op zitting gesloten.
Feiten
3. Eiser heeft eerder in 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Bij deze aanvraag heeft hij gesteld Algerijns te zijn en in Algerije te vrezen. Vervolgens is eiser met onbekende bestemming vertrokken en heeft hij de aanvraag ingetrokken. Bij besluit van 2 januari 2024 is aan eiser opgedragen terug te keren naar Algerije (een terugkeerbesluit). Ook is een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast.
3.1.
Eiser heeft aan de opvolgende asielaanvraag andere personalia ten grondslag gelegd en gesteld dat hij de Libische nationaliteit heeft. Eiser heeft verklaard dat hij in Libië te vrezen heeft, omdat familieleden daar tijdens de revolutie in 2011 zijn vermoord. Hierbij is eiser gewond geraakt. Vervolgens is eiser naar Tunesië gevlucht. Tot slot heeft eiser verklaard dat hij geen familie meer heeft in Libië.
3.2.
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
de gestelde identiteit, Libische nationaliteit en herkomst; en
eisers familieleden zijn tijdens de revolutie in 2011 in Libië vermoord.
3.3.
Bij het bestreden besluit heeft de minister de opvolgende aanvraag van eiser afgewezen. De minister gelooft de gestelde Libische personalia en nationaliteit niet, omdat eiser deze niet met documenten heeft onderbouwd. De Algerijnse nationaliteit waarover eiser eerder heeft verklaard, is bevestigd door de Algerijnse autoriteiten nadat eiser aan hen was gepresenteerd. De minister heeft de gestelde problemen in Libië niet getoetst, omdat eiser naar Algerije dient terug te keren. Daarnaast beschouwt de minister eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig, vanwege het gebruik van een alias, het eerdere vertrek met onbekende bestemming en het intrekken van zijn eerste asielaanvraag. Ook heeft eiser pas weer asiel aangevraagd op het moment dat hij in bewaring zat om te worden uitgezet. De minister heeft geconcludeerd dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, omdat geen sprake is van een noodzaak tot internationale bescherming, omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en nationaliteit, omdat hij inconsequente verklaringen heeft afgelegd, en omdat het een opvolgende aanvraag betreft die inhoudelijk wordt afgewezen.
3.4.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna, voor zover van belang, in op de stellingen van eiser.
Geloofwaardigheid van de Libische personalia
4. Eiser heeft aangevoerd dat de asielmotieven ten onrechte niet in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. Ter onderbouwing is gewezen op een passage uit de Werkinstructie (WI) 2024/6. Volgens eiser maakt zijn vrees in Libië de Libische nationaliteit en zijn identiteit aannemelijk. De minister heeft de vrees in Libië daarom ten onrechte niet beoordeeld. Daarnaast heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan zijn Algerijnse nationaliteit is bevestigd. Ook heeft de minister volgens eiser ten onrechte niet gemotiveerd welke inspanningen van hem verlangd kunnen worden om zijn Libische nationaliteit te onderbouwen. Eiser heeft gesteld dat hij per definitie niet aan documenten kan komen. Tot slot zijn volgens eiser ten onrechte verklaringen uit de eerste asielprocedure tegengeworpen, omdat deze verklaringen gedateerd zijn en eiser uitgelegd heeft dat die verklaringen niet kloppen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiser gestelde identiteit en Libische nationaliteit niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij in zijn eerste asielprocedure een Algerijnse nationaliteit en andere identiteit heeft opgegeven. De enkele stelling dat deze verklaringen gedateerd zijn, en de toelichting van eiser dat hij in zijn eerste asielprocedure heeft gelogen, zijn onvoldoende voor de conclusie dat eiser nu de waarheid spreekt over zijn personalia.
4.2.
De minister heeft verder terecht aan eiser tegengeworpen dat hij de Libische nationaliteit niet met documenten heeft onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen volstaan met de motivering dat eiser geen inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen. Eiser heeft dat inhoudelijk niet betwist. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat hij per definitie geen documenten kan verkrijgen, omdat hij dit verder niet heeft onderbouwd of toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister uitgaan van de Algerijnse nationaliteit, nu deze door de Algerijnse autoriteiten is bevestigd na een presentatie van eiser. Ook is ten behoeve van eiser een laissez-passer afgegeven. Eiser heeft dit niet betwist. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat niet inzichtelijk is op basis waarvan de Algerijnse nationaliteit is bevestigd, nu eiser zelf aanwezig was bij zijn presentatie.
4.3.
De rechtbank volgt eiser ook niet in het betoog dat de gestelde vrees in Libië de door hem gestelde Libische personalia aannemelijk kan maken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een asielmotief enkel betekenis heeft tegen de achtergrond van de nationaliteit, identiteit en het land van herkomst. Omdat eiser zijn identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt, kan de minister de gestelde vrees in Libië niet beoordelen. Alleen al daarom kan de gestelde vrees niet de Libische nationaliteit aannemelijk maken. De verwijzing naar een passage uit de WI 2024/6 kan eiser niet baten, omdat deze ziet op de beoordeling van verschillende omstandigheden binnen één asielmotief.
4.4.
Gelet op het voorgaande heeft de minister niet ten onrechte niet beoordeeld of eiser in Libië te vrezen heeft. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser naar Algerije kan terugkeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Gebruik van de Case Matcher
5. Eiser heeft betoogd dat de besluitvorming onzorgvuldig is, omdat niet is uitgesloten dat de minister gebruik heeft gemaakt van de Case Matcher. Volgens eiser betreft dit mogelijk verboden AI, of AI met een hoog risico als bedoeld in de AI-verordening. Eiser heeft aangevoerd dat de besluitvorming niet transparant of controleerbaar is, omdat niet inzichtelijk is hoe de Case Matcher werkt en niet is vermeld of het gebruikt is. In dit verband heeft eiser zich beroepen op bepalingen uit de Awb, het EVRM, het Handvest en de AVG. Ook beroept eiser zich op stukken van het College voor de Rechten van de Mens, van de Raad voor de Rechtspraak en op rechtspraak die in deze stukken wordt genoemd. Het gebrek aan regelgeving rondom algoritmes en AI betekent volgens eiser dat de minister gebruik kan hebben gemaakt van andere vormen van AI, zoals ChatGPT en Co Pilot. Tot slot heeft eiser een verzoek op grond van de Woo ingediend met 17 vragen, en verzocht om deze als beroepsgronden te beschouwen.
5.1.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of gebruik is gemaakt van de Case Matcher. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Ter onderbouwing zijn twee ontkennende verklaringen overgelegd van de beslismedewerkers die het voornemen en het bestreden besluit namens de minister hebben genomen. Ter zitting heeft de minister verder toegelicht dat uit de interne minuut evenmin blijkt dat de Case Matcher is gebruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan dit gegeven of de verklaringen te twijfelen. Ter zitting heeft eiser de inhoud van de verklaringen en de toelichting van de minister niet betwist, maar verzocht om een principiële uitspraak te doen over de Case Matcher. De rechtbank volgt eiser niet in dit verzoek, omdat rechtsmiddelen niet bedoeld zijn om kwesties van principiële aard te beslechten.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Algerije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot, en mr. V.A.G. van Dijk, leden, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie het Algoritmeregister “Case Matcher: Een zoek- en vindfunctie bij asielaanvragen - IND.”
<https://algoritmes.overheid.nl/nl/algoritme/case-matcher-een-zoek-en-vindfunctie-bij-asielaanvragen-ind/36268942>.
Zie artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, c, e en g, van de Vreemdelingenwet 2000.
Een vervangend reisdocument.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie de uitspraken van de Afdeling van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4349, r.o. 2.4.1 en van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292, r.o. 5.1.
Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024, tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie.
De Algemene wet bestuursrecht.
Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De Algemene verordening gegevensbescherming.
Het nieuwsbericht “College: verplichte melding én uitleg bij gebruik algoritmes door overheid”, en het Position Paper Transparantieverplichting voor overheid bij gebruik algoritmes, van 29 juni 2023.
Het Reflectiedocument algoritmische besluitvorming in de Awb, van 14 juni 2024.
ECLI:NL:RVS:2017:1259, ECLI:NL:RVS:2018:2454 en ECLI:NL:RBDHA:2020:865.
Wet open overheid.
Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1981, r.o. 1.4.
Bijvoorbeeld met resultaten van een AI-detector.
Zie het Reflectiedocument algoritmische besluitvorming in de Awb, van 14 juni 2024, pagina 2, en vgl. artikel 7:4, tweede lid, van de Awb en artikel 8:42 van de Awb.
Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en g, van de Vreemdelingenwet 2000.