Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-26
ECLI:NL:RBDHA:2025:10020
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,623 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/139383-23
Datum uitspraak: 2 juni 2025
Vonnis tot herstel
van het op 26 mei 2025 uitgesproken vonnis van de rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [datum] 1997 te [geboorteplaats] ,
op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
Het onderdeel van het vonnis dat moet worden hersteld
In het dictum is met betrekking tot de deels toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen abusievelijk 29 april 2024 opgenomen als ingangsdatum van de wettelijke rente. Dit moet echter zijn 29 april 2023, zoals ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen in het vonnis is overwogen. Het voorgaande geldt ook voor de bijbehorende opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, waar dezelfde onjuiste ingangsdatum van de wettelijke rente vermeld staat.
Ook is in het vonnis verzuimd de verplichtingen met betrekking tot de schadevergoedingen “hoofdelijk” op te leggen.
In het belang van een juiste executie van het vonnis, zal de rechtbank deze fouten herstellen door verbetering van het dictum, waartoe het onderhavige vonnis strekt.
Dictum
De rechtbank:
handhaaft haar beslissing van 26 mei 2025, met herstel van een kennelijke misslag in het dictum als volgt:
verbetert de beslissing waarbij de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en verdachte is veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en voegt hieraan toe dat de rechtbank bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
verbetert de beslissing waarbij de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en verdachte voorts is veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en voegt hieraan toe dat de rechtbank bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
verbetert de beslissing waarbij de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en verdachte voorts is veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 3] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en voegt hieraan toe dat de rechtbank bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
verbetert de beslissing waarbij de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk is toegewezen en verdachte voorts is veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 4] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en voegt hieraan toe dat de rechtbank bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
verbetert de beslissing waarbij de verdachte de verplichting is opgelegd om een bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde 1] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en bepaalt dat deze verplichting hoofdelijk zal zijn in die zin dat als een van de mededader(s) aan de opgelegde verplichting heeft voldaan de verdachte niet meer verplicht is om daaraan te voldoen.
verbetert de beslissing waarbij de verdachte de verplichting is opgelegd een bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde 2] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en bepaalt dat deze verplichting hoofdelijk zal zijn in die zin dat als een van de mededader(s) aan de opgelegde verplichting heeft voldaan de verdachte niet meer verplicht is om daaraan te voldoen.
verbetert de beslissing waarbij de verdachte de verplichting is opgelegd om een bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde 3] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en bepaalt dat deze verplichting hoofdelijk zal zijn in die zin dat als een van de mededader(s) aan de opgelegde verplichting heeft voldaan de verdachte niet meer verplicht is om daaraan te voldoen.
verbetert de beslissing waarbij de verdachte de verplichting is opgelegd om een bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van [benadeelde 4] , voor wat betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente, welke behoort te zijn: 29 april 2023 en bepaalt dat deze verplichting hoofdelijk zal zijn in die zin dat als een van de mededader(s) aan de opgelegde verplichting heeft voldaan de verdachte niet meer verplicht is om daaraan te voldoen.
bepaalt dat de griffier dit vonnis doet hechten aan het originele vonnis van 26 mei 2025 en dit vonnis ter kennis doet brengen van de verdachte, de officier van justitie en de benadeelde partijen.
Dit vonnis is op 2 juni 2025 gewezen door
mr. M.R. Aaron, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. J. Barensen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
mrs. F.C. Berg en J. Barensen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.