Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:999
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,249 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1901
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).
Procesverloop
Bij besluit van 15 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2024 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen in het detentiecentrum Rotterdam en is daar bijgestaan door zijn gemachtigde. Een tolk is verschenen op de rechtbank in Groningen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; (lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Verweerder heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft verweerder overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
2. Eiser heeft de aan hem opgelegde maatregel van bewaring niet bestreden. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zo snel mogelijk overgedragen wil worden aan Spanje en dat hij zal meewerken aan zijn overdracht.
3. De rechtbank is van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft immers verklaard dat hij zijn paspoort in Spanje heeft laten liggen, zodat feitelijk juist is dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen (3a). Daarnaast heeft eiser zich bij aankomst in Nederland niet gemeld bij de Korpschef. Door zich niet te melden heeft eiser laten zien dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken (3b). Ook heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats noch beschikt eiser over voldoende middelen van bestaan (4c en 4d). De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de overige gronden 3d en 4a onbesproken.
4. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de overdracht werkt en dat zicht op overdracht binnen een redelijke termijn naar Spanje bestaat. Op 17 januari 2024 heeft verweerder een claimverzoek ingediend bij de Spaanse autoriteiten. Vervolgens is op 18 januari 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 23 januari 2024 is het claimakkoord ontvangen en op 24 januari 2024 is een overdrachtsbesluit genomen. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat er een vlucht voor eiser is gepland op 6 februari 2024.
5. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.