Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-25
ECLI:NL:RBDHA:2024:9970
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
662 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12013
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 20 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een EU-verblijfsdocument opnieuw ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep (NL24.12011) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij de uitspraak op het beroep in Nederland mag afwachten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Beoordeling
1. In de uitspraak in de zaak met nummer NL24.12011 heeft de rechtbank beslist op het beroep waarop dit verzoek om een voorlopige voorziening betrekking heeft. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Om die reden wordt het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen.
2. Gelet op de uitkomst van het beroep ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187 vergoeden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro) aan proceskosten aan verzoekster;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2024 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.