Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:9922
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,430 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24037
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris (gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft op 13 juni 2024 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiseres is overgedragen aan Frankrijk.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Gronden van de maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond 3a feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiseres beschikte namelijk niet over een geldig visum om Nederland te mogen inreizen. Het standpunt van eiseres dat dit een standaard grond is voor een asielzoeker en dat dit niet betekent dat iemand zich niet aan de regels wil houden, doet volgens de rechtbank niet af aan de feitelijke juistheid van de grond. De rechtbank is verder van oordeel dat de zware gronden 3k en 3m feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd. Eiseres heeft geen medewerking verleend aan de overdracht die eerder op 29 mei 2024 gepland stond. Dit blijkt uit de brief van 29 mei 2024 aan de Franse autoriteiten in het dossier met daarin de mededeling dat de overdracht is geannuleerd omdat eiseres zich niet heeft gemeld. De enkele stelling van eiseres dat zij klaar stond voor haar overdracht is onvoldoende om dit te weerleggen. Eiseres heeft zelf ook aangegeven dat zij niet naar Frankrijk wil, omdat zij bang is voor haar echtgenoot. Gelet op het voorgaande was de bewaring ook noodzakelijk met het oog op de uiterste overdrachtsdatum van 13 juni 2024. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 juni 2024
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.