Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-21
ECLI:NL:RBDHA:2024:9853
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,793 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.19837, NL24.19839 en NL24.19841
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2024 in de zaken tussen
[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1], eiseres
en haar minderjarige dochter
[naam dochter],
[eiser 2], v-nummer: [nummer 2], eiser,
[eiser 3], v-nummer: [nummer 3], eiser,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvragen van eisers met de (afzonderlijke) bestreden besluiten van 6 mei 2024 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. Eisers zijn niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
2.1
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen standhoudt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk verzoeken om terugname gedaan. Frankrijk heeft deze verzoeken aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eisers hebben hun beroepsgrond dat de staatssecretaris in hun specifieke geval ten aanzien van Frankrijk niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel tijdens de zitting ingetrokken. Omdat de beroepsgrond is komen te vervallen, gaat de rechtbank hier niet inhoudelijk op in.
Heeft de staatssecretaris aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan artikel 16 van de Dublinverordening?
5. Eisers betogen dat de staatssecretaris toepassing moet geven aan artikel 16 van de Dublinverordening vanwege het behoud van de eenheid van het gezin. Hoewel eiseres en de vader van haar (minderjarige) kinderen niet getrouwd zijn, beschouwt eiseres de relatie als ware zij echtgenoten. De staatssecretaris gaat er ten onrechte aan voorbij dat het gezin niet als één geheel wordt gezien en betrekt de vader ten onrechte niet bij de zaken.
Toetsingskader afhankelijkheid
5.1.
Als tussen een vreemdeling en een kind, broer, zus of ouder met rechtmatig verblijf in een van de lidstaten een afhankelijkheidsrelatie bestaat als gevolg van zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte of een hoge leeftijd, dan zorgt een lidstaat ervoor dat deze familieleden bij elkaar kunnen blijven, mits er in het land van herkomst reeds familiebanden bestonden en het verzorgende familielid in staat is om voor de afhankelijke persoon te zorgen en zij hebben verklaard dit te willen. Het Nederlandse beleid voor de toepassing van artikel 16 van de Dublinverordening is opgenomen in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.
Oordeel van de rechtbank
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat niet wordt gevolgd dat het niet betrekken van de vader van de (minderjarige) kinderen in de zaak in strijd is met artikel 16 van de Dublinverordening. Artikel 16 van de Dublinverordening ziet enkel op een afhankelijkheidsrelatie tussen ouder, kind, broer of zus. Voor wat betreft de relatie tussen eiseres en de vader van de kinderen, is artikel 16 in de eerste plaats niet van toepassing op partners. Ten aanzien van de (minderjarige) kinderen staat vast dat de relatie tussen eiseres en vader niet is vastgesteld. De rechtbank volgt verder het op de zitting ingenomen standpunt van de staatssecretaris dat niet aan de overige voorwaarden van artikel 16 van de Dublinverordening is voldaan. Nog los van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie op grond van de omstandigheden genoemd in artikel 16 van de Dublinverordening, hebben eisers en de (gestelde) vader geen rechtmatig verblijf in Nederland. De gestelde medische omstandigheden nog daargelaten, strandt het beroep op artikel 16 van de Dublinverordening al. Verder is van belang dat eisers en de (gestelde) vader allemaal door Frankrijk zijn geclaimd. Dat de procedure van vader niet gelijk is aan de procedure van eisers doet hier geen afbreuk aan. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de staatssecretaris de asielaanvragen in behandeling nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Eisers betogen dat de staatssecretaris ten onrechte geen aanleiding ziet om hun asielaanvragen wegens bijzondere individuele omstandigheden onverplicht in behandeling te nemen omdat overdracht naar Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eisers menen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden vanwege de kenbare medische en mentale beperkingen waar eisers mee kampen. Eiseres is rolstoelafhankelijk en de meerderjarige zoon (eiser) is verstandelijk beperkt, in Frankrijk hebben zij onvoldoende toegang gehad tot medische zorg. Op de zitting betogen eisers dat deze omstandigheden voor de staatssecretaris zichtbaar waren, de zoon is onder andere samen met eiseres gehoord waarbij zijn verstandelijke beperking voor de staatssecretaris duidelijk zichtbaar was. Dat een medisch traject en medische stukken van de situatie van eiseres en van haar zoon ontbreken, doet geen afbreuk aan de waarneming van de staatssecretaris. Ook heeft de staatssecretaris onvoldoende rekening gehouden met de eenheid van het gezin. De vader van de (minderjarige) kinderen draagt zorg voor zijn gezin en is geregistreerd als met onbekende bestemming (MOB) vertrokken, omdat hij in een ander AZC verblijft en heen en weer moet reizen om zijn gezin te ondersteunen. Daardoor heeft hij een aantal meldingsmomenten gemist. De staatssecretaris had moeten onderzoeken of deze omstandigheden aanleiding zijn om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 13 december 2023, rechtsoverweging 9.3.1.
6.1.
De staatssecretaris stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er in hun geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eisers hebben weliswaar medische omstandigheden aangevoerd, maar dit niet nader onderbouwd met stukken van een medisch specialist. Ook het feit dat eiseres rolstoelafhankelijk is, duidt er niet op dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Dit geldt ook voor de (gestelde) verstandelijke beperking van de zoon van eiseres. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan de medische omstandigheden in Frankrijk van vergelijkbare kwaliteit zijn en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan voor Dublinclaimanten. Er is niet met medische documenten aangetoond dat er sprake is van een medische behandeling, evenmin is gebleken dat Nederland het meest geschikte land is om eisers te behandelen. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat een eventuele benodigde behandeling in Frankrijk voor hun niet aanwezig zal zijn. Zij hebben verder niet geconcretiseerd toegelicht waarom de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van toepassing is op de persoonlijke situatie van eisers. Omdat er in die uitspraak sprake was van een ander feitencomplex, slaagt het beroep op deze uitspraak alleen daarom al niet.
6.2.
Daarnaast stelt de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt dat de eenheid van het gezin en de MOB-melding van vader geen bijzondere omstandigheid zijn waardoor overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. In de eerste plaats is het de eigen verantwoordelijkheid van vader om zich tijdig in het AZC te melden. Dat de vader hier niet aan heeft voldaan en door de MOB-melding van zijn gezin gescheiden is geraakt, komt voor zijn eigen rekening en risico. De noodzakelijke aanwezigheid van vader in het AZC van zijn gezin is verder niet met stukken aannemelijk gemaakt of nader geconcretiseerd en onderbouwd. De staatssecretaris heeft op de zitting verder toegelicht dat eisers en de vader door Frankrijk zijn geclaimd.
Conclusie
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen standhoudt. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening.
Rb. Den Haag, zp. Amsterdam, zaaknummer NL22.24261.
Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
ABRvS 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
ABRvS 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.