Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:9837
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,590 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23562
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M. Rasul)
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 12 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De staatssecretaris heeft de rechtbank op 4 juni 2024 in kennis gesteld van het voortduren van de bewaringsmaatregel. Een kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop in zijn gronden gereageerd.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 april 2024 (in de zaak NL24.11504) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 29 maart 2024.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. Eiser stelt dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt nu er nog geen presentatie heeft plaatsgevonden. Inmiddels is gebleken dat Algerije eiser niet accepteert en ook Marokko heeft te kennen gegeven eiser niet te zullen accepteren, hetgeen niet verwonderlijk is nu hij in Italië is opgegroeid. Desondanks heeft eiser tot op heden volledig meegewerkt. Dit heeft echter niet tot zijn uitzetting geleid. Nu hij altijd zijn medewerking heeft verleend, meent eiser dat hij de uitkomst van zijn terugkeerprocedure in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL) zou moeten mogen afwachten. Eiser ziet geen perspectief in een illegaal verblijf in Europa en wil daarom graag terugkeren naar Marokko. Voorts meent eiser dat er geen zicht op uitzetting is omdat hij geen identiteitsdocumenten heeft en de Marokkaanse autoriteiten hem klaarblijkelijk niet meer terug willen.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de voorgangsrapportage volgt dat de staatssecretaris, sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 29 maart 2024, 5 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk heeft gerappelleerd op de laissez passer-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 28 mei 2024. Daarnaast heeft de staatssecretaris op 22 mei 2024 voldaan aan het verzoek van de Marokkaanse autoriteiten om nieuwe vingerafdrukken van eiser naar het consulaat te sturen, nadat was gebleken dat eerdere vingerafdrukken onbruikbaar waren. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
4.1.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 14 november 2022 heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt en dat de Afdeling dit oordeel meerdere malen heeft bevestigd, laatstelijk bij uitspraak van 8 augustus 2023. Er zijn verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Marokko voor eiser in het bijzonder geen laissez passer zal afgeven, of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Zijn stelling dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven hem niet te willen accepteren, heeft eiser niet onderbouwd. Met de staatssecretaris is de rechtbank van oordeel dat het feit dat de Marokkaanse autoriteiten om nieuwe vingerafdrukken hebben verzocht erop wijst dat er sprake is van zicht op uitzetting, ondanks dat er geen identiteitspapieren voorhanden zijn en eiser nog niet is gepresenteerd.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser is gebleken dat hij niet wil terugkeren naar Marokko en dat hij dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Hetgeen eiser in dit verband in zijn gronden heeft aangevoerd strookt niet met hetgeen hij in de vertrekgesprekken heeft aangegeven. De rechtbank is voorts niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel op te leggen zoals het voor door eiser genoemde verblijf in een VBL.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RVS:2022:3269.
ECLI:NL:RVS:2023:3033.