Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-24
ECLI:NL:RBDHA:2024:9815
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.37814
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],van Eritrese nationaliteit,v-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 13 maart 2023.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van
artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift, kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
3. Eiser heeft op 16 maart 2022 een herhaalde aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend voor verblijf bij [naam 2] (referent). De staatssecretaris heeft bij besluit van 21 februari 2023 de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit op 13 maart 2023 een bezwaarschrift ingediend.
4. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn waarbinnen de staatssecretaris op een bezwaarschrift dat is gericht tegen een beschikking omtrent de afgifte van een mvv negentien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Deze termijn is verlengd met een periode die de staatssecretaris heeft geboden om een verzuim te herstellen.
5. Niet in geschil is dat de staatssecretaris niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist. Eiser heeft de staatssecretaris op 18 oktober 2023 rechtsgeldig in gebreke gesteld en sindsdien zijn meer dan twee weken voorbij gegaan.
6. Het op 1 december 2023 door eiser ingesteld beroep is daarom kennelijk gegrond.
7. Omdat de staatssecretaris nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat hij dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De staatssecretaris heeft in het verweerschrift van 27 december 2023 uitgelegd dat hij een ruimere beslistermijn nodig heeft omdat hij vanwege de verhoogde instroom van met name nareisaanvragen kampt met achterstanden bij het beslissen op bezwaarschriften in nareisprocedures. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een bijzondere situatie zoals bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
8. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is en dat de staatssecretaris voornemens is om nader onderzoek, mogelijk in de vorm van een gehoor, te verrichten. Anderzijds geldt dat sinds het indienen van het beroep reeds geruime tijd is verstreken, zonder dat door de staatssecretaris het bedoelde nader onderzoek is opgestart. De rechtbank bepaalt daarom dat de staatssecretaris binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een beslissing op het bezwaarschrift bekend moet maken.
9. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 7.500,-.
10. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser betaalde griffierecht en gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 875,- en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de staatssecretaris op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.