Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:9467
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,169 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22756
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig F. El Haji. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1989.
De maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert tegen de lichte gronden aan dat hij een partner en kind heeft in Duitsland en dat hij zich graag bij hen wil voegen.
4. Wat eiser aanvoert laat onverlet dat de lichte gronden feitelijk juist zijn. Ook zijn deze gronden voldoende toegelicht, waardoor ze aan de maatregel ten grondslag konden worden gelegd. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook de zware gronden feitelijk juist zijn en de maatregel, tezamen met de lichte gronden, kunnen dragen.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat volstaan had kunnen worden met een lichter middel, zoals een meldplicht. Eiser wil graag terugkeren naar Duitsland, waar zijn partner en kind wonen.
6. Verweerder heeft zich evenwel voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat in dit geval geen lichter middel kon worden toegepast. Voorop staat dat uit de gronden van de maatregel volgt dat er sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel heeft verweerder meegewogen dat eiser een kind in Duitsland heeft. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser geen regelmatig contact heeft met zijn kind en dat financiële ondersteuning vanuit Marokko kan worden voortgezet. Ten aanzien van de partner van eiser heeft verweerder gewezen op de verklaring van eiser dat zijn relatie met de moeder van zijn kind slecht is. Gelet hierop heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen.
Ambtshalve toets
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing ook niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.